Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stig. Hij publiceerde in 1832 een „Kort overzicht der menschelijke kennis met nadere ontvouwing over zelfkennis", 600 bladzijden, en in 1835 een bundel verzen: „Het Heelal". Hij was een ouderwetsch en strak man, een heel andere natuur dan zijn levendige jonge vrouw. Een dochter uit dit huwelijk was des dichters vereerde,beminde moeder, Anna Cornelia Amelse, aan wier nagedachtenis hij zijn eersten bundel Verzen van 1894 heeft opgedragen. Is aan deze niet-zuiver-Hollandsche afkomst met haar sterk Duitschen inslag ook voor een groot deel de idealistisch-hartstochtelijke aard van zijn poëzie en zijn zin voor bespiegelende wijsbegeerte toe te schrijven? Ik geloof het zeker. Want wie zou willen volhouden dat de poëzie van die eerste venen, waarmede Kloos de harten van jong-Nederland veroverde, eigenaardig Hoüandsch was? Geen gering deel van hun bekoring lag in het feit dat die verzen hen ontrukten aan het benepen huiselijke kringetje en binnen voerden in een sfeer van schoonheid, zóó hemel-wijd en stralend en klinkend van melodieën, zóó breed en tegelijk zóó nerveus verfijnd, als tot nog toe alleen eenige groote lyrische dichters van het buitenland I voor hen geopend hadden. In alle geval is Kloos zelf zich zijn buiI tenlandsche afstamming altijd zeer sterk bewust geweest. Een andere ' vraag is, of hieruit ook zijn vereenzaming kan worden verklaard. Hij zelf meent van wel, maar we zullen later zien wat hiervan is.

DROEVIGE JEUGD — TIJD VAN VOORBEREIDING — ONTWAKENDE PERSOONLIJKHEID

Willem Johan Theodoor Kloos werd den 6 Mei 1859 geboren te Amsterdam. Zijn jeugd kennen wij tamelijk goed uit autobiografische mededeelingen, die we, vooral in zijn latere geschriften, telkens tegenkomen, hetzij ingevlochten in zijn kronieken, of als onderwerp van zijn „Binnengedachten", die zeer individueele sonnetten welke hij sinds 1924 geregeld doet verschijnen. Uit alles blijkt dat hij niet behoorde tot de vroeg-rijpe wonderkinderen. Op school was hij stipt in zijn plichten en leerzaam. Hij kon wel vroohjk zijn maar zijn aanleg neigde tot het zwaarmoedige. Reeds vroeg, als leerling van de hoogere burgerschool aan de Keizersgracht tegenover de Westermarkt, hield hij ervan met zijn makkers, maar nog bever alleen, op buitenwegen te zwerven en droomde dan wel, bij het staren in de verre luchten of naar de hoog en stil voortzwevende wolken, van een mooiere wereld dan die hij om zich heen wist. Het was het natuurlijk zoeken naar een harmonie welke hij in zijn leven pijnlijk miste. Hij was als een gekooide, gekortwiekte vogel, een leeuwerik, die telkens zijn hoofdje te-

Sluiten