Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toén bij in 1894 zijn verzen in een bundel verzamelde, aan wie zou hij ze beter hebben kunnen opdragen dan aan de nagedachtenis van haar: Anna GorneUa Amelse!

Het eerste sonnet is het volgende:

Ik denk altoos aan U, als aan die droomen Waarin, een ganschen, langen, zaal'gen nacht, Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht, Zóó onuitspreek'lijk hef, dat bij het doornen Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen Uit hab? gelokene oogen, tot we ons zacht En zwijgend heffen met de stille klacht, Dat schoone droomen niet weeromme komen ....

Want alles ligt in eeuw'gen slaap bevangen,

In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt,

En héél dit leven is een wond're, bange, Ontzétbre droom, dien eens de nacht weer vaagt.

Maar in dien droom een droom, vol licht en zangen, Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd.

Sluiten