Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk II — ONTWAAKT DICHTERSCHAP

WE zijn hiermee op de geschiedenis vooruit geloopen. Laten we terugkeeren tot zijn H.B.S.-jaren. We hebben opgemerkt dat het letterkundige onderwijs hem zoo weinig „deed", dat de klassieke Fransche drama's die op school plichtmatig behandeld werden, weinig indruk op hém maakten, die toch in zijn hart een dichter was. Is het niet te begrijpen dat hij zich meer voelde aangetrokken tot Hernani van Victor Hugo dan tot Racine's statige Athalie? Die levendige romantiek prikkelde tenminste zijn verbeelding: „Ik zag daarbij in mijn 17- of 18-jarige naïeve jongensverbeelding renaissance-, of waren het gothische? balkons in den maneschijn, waar donkere lokken overheen gleden en op en neer bewogen, terwijl een wit briefje uit schaduwige vingers viel en opgevangen werd in de hand van een figuur die op een luit speelde, maar die dan heel snel langs gebeeldhouwde uitsteeksels naar boven klimmen ging. Dat vond ik prachtig als 17-, 19-jarige, en ik dweepte er een tijdlang stil in mijzelf mee, evenals ik dat begon te doen met Heinrich Heine, Leopold Schefer en een aantal andere Duitsche dichters, bij welke ik ook wel eens een gedicht vond, dat mij door zijn suggestieve gevoeldheid vast te houden wist" 1). Het waren Goethe, von Platen, en Schiller ook.

Petrarca vertelt hoe hij eens, toen hij nog schoolging, na een vervelende les, waarop zijn leermeester de klas poogde in te wijden in Cicero door geestdoodend grammaticaal gepluis, zich, in een pauze tusschen de schooluren, afzonderde van zijn makkers met een van de orationes, en hoe hem, stil lezend, plotseling, als in een bliksemlicht, 1) N. G. 1929 I, 333.

Sluiten