Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het eerst van zijn leven de meesleepende pracht van dat Latijnsche proza werd geopenbaard. Zoo ging het den zeventien-jarigen Kloos, toen hij eens in het Vondelpark in Schiller's gedichten las: „En daar plotseling — daar kreeg ik het — daar ging het mij treffen: ik bemerkte een vreemde nooit gekende, inwendige aandoening; de tranen druppelden stil uit mijn oogen en zachtjes voelde ik het bonzen van mijn hart. En, diep-klaar verheugd, stond ik op van mijn bankje en traagbjk liep ik, in gedachten, op den grintweg door. Want nu had ik toch eindelijk ontdekt, wat poëzie was, nu wist ik het, nu „snapte" ik het -— en vol van een onuitsprekelijke zaligheid ging ik met nieuwen levensmoed naar huis" 1).

Kloos had kennis gemaakt met de betooverende straling, de transformeerende, eenheid-barende werking van die geheimzinnige werkelijkheid, die 1'abbé Bremond de „poésie pure" heeft genoemd. Ze zal de troost en toevlucht worden van zijn leven.

Niet lang hierna begon het eindexamen van de H.B.S., dat hij in den zomer van 1877 met goed gevolg aflegde. Zijn studie-plannen hadden zich intusschen gewijzigd; van de ingenieurs-loopbaan zag hij af en besloot klassieke letteren te studeeren. Hiervoor moest hij echter eerst het toen nog bestaande admissie-examen voor de universiteit doen, dat eenige jaren later door het staatsexamen werd vervangen. Om zich hiervoor te bekwamen nam hij les van Dr. Doorenbos en sinds dit oogenblik ontstond er een hartelijke genegenheid tusschen den discipel en den beminnelijken geleerde.

Op een avond blokt hij op Grieksche verba. Plotseling scheidt hij er mee uit, zijn sluimerend gevoel voor de poëzie blijkt actief geworden, want zonder het te willen, spontaan, schrijft hij iets neer in maat en rijm, en tot zijn verwondering is het een Duitsch gedicht. Een schoolmakker — het was in 1878 — een vriend met wien hij vier jaren in de zelfde klas had gezeten en die nu student was, had zich in het Spaarne verdronken. De gebeurtenis trof Kloos in zijn diepste binnenste en werd de oorzaak van dit eerste onbewuste scheppen. Het ging over de zelfverdrinking, over den Dood en het menschenlot in het algemeen. In den loop van het jaar herhaalde zich dit wonderlijke met een tusschenpoos van een of twee maanden, tot dat hij een dertigtal gedichten bijeen had. Hij had intusschen getracht, er den sonnetvorm aan te geven, na er zich bewust rekenschap van te hebben gegeven, wat, door bestudeering van dien vorm bij Heine en von Platen, -

1) Nieuwere Literatuur-Geschiedenis III, 143 (artikel over J. B. 'Meerkerk).

Sluiten