Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weldra gelukte 1). Het grootste deel van die juvenilia is spoorloos verdwenen; Kloos heeft de beste ervan laten drukken in het letterkundig tijdschrift Astrea van 1881; het zijn zes sonnetten. Vijf hiervan staan ook in Verzen I. Later nam hij er nog een acht-tal op in de Nieuwe Gids van 1897 en in Verzen II.

De gebeurtenis van het onwillekeurig neerschrijven van gedichten in de Duitsche taal is voor den jongen Kloos van groote beteekenis geweest. Vooreerst zal het ontstaan van deze sonnetten bet zelfvertrouwen in hem hebben versterkt. Iets als het „anch' io sono pittore" moet hem hebben vervuld. En dan moet de wijze van hun ontstaan, n.1. het plotseling spontane, hem reeds toen het besef hebben bijgebracht, dat de dichter het werktuig is van een geheimzinnige hoogere macht, een medium van een „Achterwezendheid", die men niet komC mandeeren kan maar eenvoudig eerbiedig te gehoorzamen heeft; een inzicht dat vervolgens bevestigd zou worden door de studie van dichters en theoretici als Shelley en Wordsworth en het onwrikbaar fundament zou vormen voor heel zijn latere kritiek.

Wel opmerkelijk is het dat beiden, Kloos en Perk, in den zelfden tijd en onafhankelijk van elkander, juist in den vorm van het sonnet hun eerste wezenlijk poëtische ontroeringen hebben uitgedrukt. Evenals Perk heeft ook Kloos dien bij ons geminachten vorm, misschien naar het voorbeeld van Heine en Goethe, in een sonnet gerechtvaardigd. Het is het eerste van de zes (zie het Letterkundig tijdschrift voor Noord en Zuid: „Astrea" van W. Gosler, in den eersten jaargang, 1881):

AN DAS SONNETT

Wenn ich mich still auf deinen Wellen wiege, Die kehren wie die Blumen eines Kranzes, Da scheint 's, ob wieder nun ein wahrhaft Ganzes Dem Meere deiner Melodien entstiege;

Da ist es ob ein Engel sanft mich trüge

Durch alle Wirbel des Planetentanzes,

Bis sich das Auge, müde dieses Glanzes,

In Traumen schbesst, und ich verzaubert liege.

1) Zie N. Gids 1928, 592 vlgg.; 1929 I. 335 en 646, 647 vlgg.; 1929 II. 708—709. De tijdsbepaling staat niet geheel vast. In N.G. 1929 II wordt het feit gesteld op 19-jarigen leeftijd, op de andere plaatsen op 18-jarigen.

Sluiten