Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Es mogen Weis'ren deine Leerheit schelten, Und all mein Thun als eitles Spiel verhöhnen, Da sie durch Lehren langst die Welt erhellten, —

Doch wem die Seele klingt vor süssen Tonen, . Und holde Musen mehr als Menschen gelten, Der schaut in dir den Abglanz alles Schonen.

Er is jeugdige dweperij in dit gedicht, er is iets overdrevens in het beeld van den Engel die hem opvoert door het Heelal met zijn draaiende planeten, maar de liefde voor den dichtvorm dien hij prijst, hoe „überschwanglich" ook, ze is onverdacht. Immers zijn geheele leven is hij dien trouw gebleven.

Het tweede sonnet heeft Kloos niet laten herdrukken en komt dus niet voor in Verzen I, waar de andere wel een plaats werden waard gekeurd. Toen ik hem vroeg wat de reden was, antwoordde hij dat hij het waarschijnlijk te sentimenteel had gevonden om den vierden regel van het eerste kwatrijn. Maar dat „sentimenteele" is voor een dichterlijk jongmensch uit dien tijd zoo natuurlijk, en voor Kloos met het oog op zijn omstandigheden zoo vanzelf sprekend, dat we het hier herdrukken. Bovendien leert het ons wat hij aan een anderen dichter te danken had.

AN PLATEN.

Du weisst wie sehr Dich meine Klagen riefen, Du konntest oft, von jenen lichten Auen, Mein Leid, Verklarter, meine Liebe schauen, Und wie vor Thranen meine Wangen triefen:

Du zeigtest mir in deinen Seelentiefen Die Macht des ewigen Geschicks, des schlauen, Und im Gemüthe mir begann's zu grauen, Wie viele litten und schon lange schliefen: —

An Dir, an Dir hab ich mich aufgerungen Bis in der Seelen höchsten, hellsten Himmel, Wo Melodie erblüht aus bittren Wehen:

So lass Du nicht, was betend ich gesungen, Verlornes Herz in diesem Erdgewimmel, Vor Deinen Füssen völlig nicht vergehen!

Sluiten