Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het sonnet is zeker niet minder, ja, we meenen beter en belangrijker dan bet voorafgaande, omdat we bier het eerst vernemen hoe de jonge dichter, die zich een „verlorenes Herz in diesem Erdgewimmei" voelt, door zijn schitterend voorbeeld de smart in melodieuze schoonheid en hemelsche vreugde heeft leeren om te zetten. Die smart, het was het verdriet van de eenzaamheid, het onvervulde verlangen naar menschebjke liefde, waarvoor maar één troost bestond: een waarachtig Dichter te worden. Hij zou gaarne blijven leven, maar mocht de dood hem neerslaan, nog als schim zal hij pogen zich in het lied te uiten: O, kon hij, vrij van aardsche boeien, opzweven tot God in de hooge gewesten waar vrijheid en schoonheid onvergankelijk bloeien!

EWIGES LEBEN.

Ich höre leise meine Seele singen In Tonen, die alsbald zum Jubel steigen: „Ich möchte nicht das Haupt geduldig beugen Dem schudden Tod, der alles will bezwingen:

„Und jag' ich auch nach unerreichbren Dingen, Und soll ich müde mich zur Erde neigen, — Wenn lange schon die blassen Lippen schweigen, Wird doch im Liede stets mein Schatten ringen:

„O dürft ich jeder Fessel frei mich heben, Und höher, höher, immer höher schweben, Hinweg aus Thranen und aus Staubgedanken, —

„Wo Schönheit, Fteiheit unverwelkUch blühen, Mich flammenahnlich, im sehnsücht'gem Glühen, Am ew'gen Gotte selbst empor zu ranken!"

Dan volgt Trost\ roerend om zijn smachten naar een beetje geluk. En toch, hoe schoon is het lot, een dichter te zijn, want bij al hun beproevingen en zielsfolteringen, blijft den dichters de genade dat zij hun leed kunnen vereeuwigen in het rhythme van het vers:

TROST.

Es hat die Welt viel UebUche Gestalten

Die mir so wunder nah vorüberschweben, —

Ich seh' sie lacheln, küssen, Tftnze weben

Und kann mich kaum der Thranen mehr enthalten.

Sluiten