Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

So steig' und fall' ich mit der Seele Wogen, Die mich verstummend an den Boden schlagen, Und wieder jubelnd bis zum Himmel heben!1)

We zien dat het zelfgevoel hier ten nauwste samenhangt met de vergoddelijking van de heilige dichtkunst wier dienaar bij zich weet. En we zien ook dat hier van'kinderlijke onbeholpenheid geen sprake meer is.

Dat de uit smart ontsprongen poëzie een gave is der Muze en de troost en de trots van den Dichter, dit werd door den jongen Kloos reeds diep beseft en zou als hoofdmotief in zijn lyriek later nog telkens terugkeeren.

Het voor schoonheid ontvankelijk gemoed stond nu open voor de machtigste impulzen. Nog vóór hij in den zomer van 1879 met goed gevolg het admissie-examen voor de Universiteit aflegde, had hij zich een goedkoope uitgaaf van Shelley's Poetical Works aangeschaft,- die hij toevalbg voor het raam van een boekwinkel bggen zag. Wat wist hij van Shelley? Busken Huet had over hem geschreven, maar dit was aan Kloos voorbij gegaan. Genoeg: de tijd in Holland scheen eindelijk rijp te zijn voor de volle waardeering van dit genie. Kloos kocht het boek en zoo kreeg die dichter een eerste kans om waarlijk gekend en geliefd te worden in ons land. In woord en geschrift heeft Kloos niet opgehouden te getuigen van zijn onverdeelde bewondering voor den dichter van Epipsychidion en hij, meer dan iemand anders was het, die sindsdien krachtig en voortdurend en met volle begrip de schoonheid van deze Engelsche poëzie heeft aangetoond. Het kwam door een soort verwantschap, welke bij vroegere Shelley-prijzenden slechts in veel geringer mate bestond. Was Byron de groote held voor de dichters van 1840, '50; Shelley zou de vereerde poëet worden van de Tachtigers, met Kloos voorop. Dit is te begrijpen. De Veertigers hebben zich nooit erg gestooten aan rhetorische fraaiigheid; een dichter mocht oratorisch zijn en met grove effecten werken, mits hij maar interessante dingen op boeiende wijze vertelde, en dat kon Byron. Bij hem ging de poëzie dikwijls schuil in het parade-kostuum van fraaie uiterlijkheden. Maar jvloos en met hem eenige andere Tachtigers waren geheel andere menschen dan de wat opgeschroefde mannen van Veertig. Hij ging naaj^JieJUb^u^jlexjhngen, bij vroeg om den diepen stemklank van de echte bezieling en dien vond hij bij den dichter van „Alastor or the spirit of Solitude", de „Ode to the Westwind" „Ado-

1) Het gedicht is in Astrea gedateerd 1879.

Sluiten