Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naïs", LPrometheus" en hoe die heerlijke scheppingen meer mogen heeteni Kon hij hem niet evenaren in grootheid van visie en rijk wellende strooming van muzikaliteit, hij kon van hem leeren dat alleen de sterke en zuivere lyrische aandoening bij machte is om een Kunstwerk voor den dag te brengen. En onmiddellijk, met scherpe intuïtie, zag hij dat niet met „Queen Mab" maar eerst met „Alastor" van 1816 de echte Shelley spreken ging. In zijn Inleiding tot mijn vertahng van het laatste gedicht heeft hij dit later als volgt naar voren gebracht: „In Alastor is Shelley voor het eerst geheel zich zelf, geeft hij zijn eigen psychische Wezen aan de wereld; hij spreekt hier niet met woorden noch met overgenomen beelden; hij redeneert en zeurt niet, hij opent ons, gelijk de waarachtige dichter steeds heeft te doen, zijn binnenste ziel met diei breede en toch subtiele verbeelding, met haar wijd en toch fijn gevoel, xoodat het ons is als wij het lezen, en daarbij denken aan het meerendeel der dichters, die zijn overigens wel knappe tijd* en landgenooten waren, of wij staan op een hoogen berg en kijken, rondom tot aan den horizon, in een ver land vol bloemige valleien en wondertuinen binnen rotsomwallingen, tegen wier voet en steile opstijgingen de oneindige oceaan, sterk-kbmmend, majestueuslijk klotst".

Opzettelijk spraken we hierboven van een sóórt verwantschap. Er is een deel van Shelley's wezen dat we bij Kloos niet terugvinden: het is het hartstochtelijk uitzien naar een gelukkiger wereld van vrede en befde, het philanthropisch idealisme, dat, troetelkind van de „Aufklarung", ons o.a. welbekend is uit Schiller's Ode „An die Freude", uit Beethovens Negende Symphonie, en de poëzie van Frederik van Eeden. Van deze maatschappelijke heilsverwachting is bij Kloos niemendal te bespeuren. Bij Shelley hing ze ten nauwste samen met zijn wijsgeerig geloof en den tijd waarin hij geboren werd. De schoonheid in de natuur was hem een afstraling van de Opperste Schoonheid en Goedheid, die hij niet God wilde noemen maar aan te duiden placht met benaderingen als the Spirit of Good, the Awful Lovebness, the Spirit of Beauty en vele andere. Shelley kon niet aannemen dat ook voor het rampzalige, in zonde en zotheid verzonken menschdom, niet éénmaal de Eeuw van vrede en geluk komen zou, en hij achtte het mjn roeping om die komst te bespoedigen door zijn apostolisch, geestdriftig woord. Kloos deelde dit optimisme niet, al is hij, filosofisch gesproken, een idealist zoo goed als Shelley. Maar Shelley's bekeeringsijver en ethischen drang miste hij. Evenals Shelley, dien verblinde doctrinairen in zijn tijd van atheïsme hebben beschuldigd, voelt hij zich steeds verbonden met den Ongeziene en zijn hem de aardsche vormen het raad-

Sluiten