Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ei, ziet hoe zich de gaarde schijnt te tooien Met zonlicht, wanneer de zonne vliedt. Indien ge nacht verwacht, nacht is het niet Waar men een enklen purperglimp ziet glooien.

Verwacht ge dag, dan is de schemer nacht, Verwacht ge nacht, zij zal in daglicht prijken: Van deugd en boosheid schemert ons geslacht.

U kan een ieder goed en deugdzaam lijken, Indien gij ondeugd slechts en slechtheid wacht: Hij dunke u slecht, zoo hij u goed zal bhjken.

Deze verzen toonen Perk's hartelijke belangstelhng in het lot van zijn zwaarmoedigen vriend, maar zullen trots hun welmeenende bedoeling weinig uitwerking op hem hebben gehad, daar hij nu eenmaal anders in de wereld stond en anders was aangelegd dan zijn levendige makker. Wanneer we spreken over den omgang van Kloos en Perk, dan denken we onmiddellijk aan twee groote Engelsche dichters, die zij beiden hefhadden: Shelley en Keats. Perk gaf aan Kloos, wiens vereering voor Shelley hij kende, een exemplaar van diens poëtische werken ten geschenke; hij leende hem de vertaling van Keats' Hyperion die Mr. Warner Willem van hennep in 1879 in een kleine oplaag voor vrienden en kennissen had laten drukken. Deze blanke verzen met hun onovertroffen natuur- en gestaltenplastiek waren iets geheel nieuws in het toenmabge Holland; het prijzenswaardige Lilith van Marcellus Emants, dat in het zelfde jaar verscheen, kon een zoo verfijnd genot niet schenken. Een diepe vereering vatte de jonge Kloos op voor den dichterlijken vertaler, wien hij zoo graag had gezegd, hoe zeer hij rijn werk bewonderde, maar dat durfde hij niet, en het bleef bij een stilstaan om hem na te kijken, wanneer bij den dichter toevallig in de Kalverstraat voorbij zag wandelen. Kloos heeft Warner van Lennep later eens genoemd „een Nieuwe-Gidser ,avant la lettre'", een „subtiel diepe kunstproever en onbewuste voorlooper van de heele Nieuwe-Gids-periode" En terecht. Want niet alleen dat Van Lennep zijn landgenooten in aanraking bracht met een zoo goed als onbekend groot dichter, wiens verbeelding een lang gestorven Grieksche mythe tot iets heerlijk-schoons herschiep, niet alleen dat hij

1) N. Gids 1927, II 461.

Sluiten