Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo voelde hij zich aangetrokken door de mythe van Jehovah en Lilith (Adams eerste vrouw), waarvan twee regels tot motto zouden kunnen strekken:

Al wie in d'arm der wellust werd geschapen, Valt vroeg of laat der wellust weer ten prooi1).

In welluidende jambische vijfvoeters heeft Emants met dikwijls zeer knappe plastiek en dramatisch talent de geschiedenis behandeld. Het was het eerste oorspronkelijke epische gedicht van den nieuwen tijd en miste op Kloos en andere jongeren zijn indruk niet. Maar de critici en dichters uit de oude school verfoeiden het, omdat het geheel in strijd was met hun voorstelling van den bijbelschen God en Vader van het Heelal. Het scherpst was een der Gids-redakteuren, Charles Boissevain, die in zijn opstel „Iets Nieuws?" op hoogen en stenigen toon zijn afkeurend oordeel velde. De twintigjarige Kloos nam het voor Lilith op in zijn Spectator-kritiek: Lilith en De Gids.

Hij toonde o.a. aan, dat hier geen rein, verheven godsbegrip is aangetast, daar Emants niet den reinen verheven God, maar een geheel andere, oudere, demonische macht tot hoofdpersoon van zijn episch gedicht had gemaakt, en stelde verder vast, dat niet de mindere of meerdere overeenstemming met de gangbare voorstelhngen hier de hoofdzaak was, maar wel de vraag of de dichter dichter was geweest. En dat was hij door verschillende mooie beschrijvingen en verder „door een overvloed van fraaie beelden, die keurig en treffend zijn uitgedrukt".

Dit oordeel van den jongen Kloos was niets minder dan het kenteeken van een ommekeer in de kritiek.

Vóór 1880 hing het voor een groot deel van het onderwerp af of een gedicht geprezen werd. Zelfs een zoo buitengewoon kriticus als Potgieter kon in dit opzicht zijn zwakheid niet verloochenen en heeft meer dan eens minderwaardig werk geprezen (b.v. van Van Haren en Loots), dat hem om zijn vaderlandsch-zedeUjke strekking bef was. Met Kloos is dit uit. Hij had den edelen, onvervalschten wijn gedronken dien de groote dichters bereiden; hij had dien geproefd op de tong, zijn geur gesnoven als een kenner; sindsdien kon geen slecht ver-

1) Een gedachte die we o.a. ook aantreffen bij Potgieter: „Wat moederborsten zoog voelt menschendriften zieden" en bij Kloos in Rhodopis:

Neen, nimmermeer laat gij, o lokkende Kypris Den eenmaal-geketenden mensch uit Uw macht!

Sluiten