Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

erotiek die sinds Hooft in ons land geschreven was. Niet alleen Perk, ook zich zelven heeft Kloos met deze uitgave geëerd en wel door zijn Inleiding, een stuk kritisch proza dat hem een grooten naam bezorgde, in gehalte voor dat van Busken Huet niet onderdeed, ja, het in poëtisch aanvoelingsvermogen ver overtrof. Had Kloos met zijn Lilith-bespre-

Iking reeds zijn kritischen aanleg getoond, met In Memoriam en de Inleiding begint eigenlijk eerst recht het nieuwe tijdperk in de Nederlandsche literatuur-beschouwing. Beide stukken zijn historische monumenten van onvergankelijke waarde. In een glanzenden, klaren stijl, in volzinnen en perioden, bewegend naar de aandoening het wilde, nu eens rustig en statig, dan stijgend tot verrukking, ontwikkelde de jonge dichter hier de te lang miskende grondbeginselen van alle poëzie. Bewondering voor het werk van zijn overleden vriend, onvoldaanheid over dat van oudere, te veel geprezen dichters als Beets en De Génestet, waren het uitgangspunt. Waar het op aankomst in poëzie, o.a. deeear beid van vorm en inhoud, de zelfstandige oorspronkekjkheid van beeldspraakrënTzonder welke deze beide ondenkbaar zijn, een innige, diepe ontroering, is hier vol overtuiging onder woorden gebracht; ja, meer: dè poëzie, die te lang had gekeuveld bij den huiselijken haard, onuitstaanbaar braaf en godsdienstig had gedaan, en tot een kinderachtige befhebberij was verlaagd, werd verheven tot „de strengste en Keflijkste aller levensmachten", „eene vrouw, fier en geweldig,wier zengende adem niet van ons laat, die ons bindt aan haar blik, maar opdat wij vrij zouden zijn van de wereldzorg, die hart en hoofd in bedwelming stort, maar ook den drang en de kracht schenkt, zich weder op te richten tot reiner klaarheid dan te voren". „Geen genegenheid is zij, maar een hartstocht, geen bemoediging maar een dronkenschap, niet een traan om 's levens ernst en een lach om zijn behaagbjkheid, maar een gloed en een verlangen, een gericht en een verheffing, een wil en een daad, waar-buiten geen waarachtig heil voor den mensch te vinden i is, en die alleen het leven levenswaard maakt". Deze hartstocht voor de I poëzie was in ons land iets nieuws. Niet volstrekt-nieuw waren de theoretische waarheden welke Kloos was aangevangen te verkondigen, I maar niemand vóór hem had ze zoo nadrukkelijk uitgesproken. Als men deze stukken kent en den tijd van hun ontstaan, kan men licht begrijpen, welken indruk dit proza moet hebben gemaakt op de tijdgenooten die, als hij, te midden van literaire dorheid waren groot geworden. Maar ook een jonger geslacht kon er nog zijn geestdrift aan ontsteken. Het was P. C. Boutens, de grootste dichter van de NaTachtigers, die later in een herinnering „Aan Willem Kloos", den

Sluiten