Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dichter opgedragen bij gelegenheid van zijn 60sten verjaardag (6 Mei 1919), getuigde, dat het betooverende geluid van Kloos' In Memoriam voor Jacques Perk hem gelokt had op het hooge pad van de dichtkunst:

. Een stille, knaap was ik toen ik voor 't eerst In lange teugen dronk den nieuwen wijn Van Uw doorgulde geestdrift bij den dood Van hem die als de vroegste leeuwerik Opschoot in 't eindlooze ondoorwiekte blauw Van Hollands hemelopen lentemorgen — Een vreemde knaap die meer was met de dooden Dan met de levenden

En zooals een in 't alzijdsch ongebaande Zijn weg zoekt en niet weet wat kant te gaan, En hoort opeens van ver een stem die zingt Zijns harten diepsten trek, zijn heimlijkst heimwee, Zooals men zingt in d' aanbbk van zijn doel — Zoo drong ik aan den leidraad van uw stem Bbndhngs vooruit, en stond aan d' oever der Oneindigheid, gelijk een kind voor 't eerst Over den rand van 't duin de zomerzee Ziet klimmen

In 1882, na de uitgave van Perk's poëzie, trok Kloos met zijn ouden vriend en leermeester Dr. Willem Doorenbos naar Brussel, waar zij eenige maanden samenwoonden; in 1884, na zijn candidaatsexamen, verlegde hij opnieuw rijn domicilie naar de Belgische hoofdstad en woonde er negen maanden op verschillende kamers in het zoogenaamde Quartier Louise. "~5 Ózw- ctbtvwyw C** >

Het feitje schijnt al heel onbeteekenend, maar heeft toch rijn waarde voor de bepaling van Kloos' karakter, wanneer we uit een eigen mededeeling 1) vernemen, dat hij naar Brussel gevlucht was om aan de verplichte schutterij te ontkomen. Het past volkomen in het kader van

1) Kloos denkt gaarne aan dien tijd terug. „Als ik aan dien tijd terugdenk, dan ligt er voor mij iets magisch in, duidelijker kan ik het niet zeggen. Ik zou zoo graag samen met jou (Jeanne Reyneke van Stuwe) eens al die plaatsen terugzien, al die straten en pleinen en het Bois de la Cambre, waar ik heb loopen droomen en zorgenvol de toekomst inkijken, heelemaal niet wetend wat ze brengen zon" (Lbr. 315).

Sluiten