Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

auditieve zoowel als visueele plastiek zijn hier volmaakt, evenals in Keats' Hyperion.

De tut hoog gehouden vuist geklonken rosse,

Reuzige slang doorslingerde de lucht

Ver-heen, tot waar hij Koios kliefde 't hoofd,

Dat ruggelings de God met breeden zwaai

Heenkantelde in het ijle.

Een donkré rotsenregen, blok bij blok,

Vloog door de wijde lucht, in logge dwarr'bng

Neerploffend voor Zeus' voet, en waar 't gebergte

Zijn harde hellingen in de' afgrond zond,

Bonsden zij op en neer met doffen dreun,

Van diep in diep tot de ongepeilde krochten,

Waar nooit een straal van 't godlijk bcht in drong,

Dat de echo's eindeloos op rots en wand

Weer-dondrend rilden door Olympus' romp,

Van schicht op schicht en klimmend tot de kammen,

Zeus' eeuwigen zetel op zijn grondvest schokten.

De tweede zang is idyllisch: een fijne, bekoorlijke teekening van den jongen herder Ganymedes die zijn vee hoedend de fluit bespeelt en met zijn dieren onder het wisselend licht der zon in ongestoord geluk rijn dagen slijt. .

In den derden zang beeft Kloos bet meest zijn eigen leven gelegd. Hier zien we den jongen blonden Ganymedes als Zeus' beveling, hoog boven alle Goden, staande aan Gods knieën om hem den beker te reiken. Een afschijn van het goddelijk bcht is op hem gevallen en nu bevindt hij zich onder goden, maar gelukkig is hij niet. De afgunstige Hera heeft hem, toen hij haar den nektar bood, den beker uit de hand geslagen, en nu denkt hij, voor wien alles een bange droom is, aan het verre vaderhuis en zou willen ontwaken om den warmen, ruigen kop van zijn hond te voelen, maar hij kan niet — „en hij weende zacht". —

Toen daar dan Ganymedes schuchter stond, Bevend van eerbied voor dien hoogsten God, Hoog boven allen tot Gods knieën reikend, En hij hem dan, met half-gebogen hoofd, Den gouden beker in de hand gaf, golfden Zijn zware blonde lokken langs het kleed,

Willem Kloos. 3

Sluiten