Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

luchtige schets van deze eerste ontmoeting laat ons zien, hoe de jonge Kloos zich in het leven voelde staan.

„Eens op zoo'n bezoek — ik zie alles nog voor mij — kwam de kranige, maar in ons, vooral destijds, meer zeurende dan diep-psychisch-aesthetisch voelende land nooit genoeg beroemd geworden Dichter Josef Alberdingk Thym, van Deyssel's Vader, naar binnen gbppen, en mij vluchtig de band toestekend die ik bescheiden drukte, wees hij mij tegelijkertijd met snel-neergaande beweging van zijn andere hand aan, dat ik weer plaats nemen moest. En met zijn door het inteUigent-gevoebge waas, dat er plots over henen scheen te gaan liggen — dat sterke, scherpe profiel zie ik nog thans, als zag ik het zooeven — karakteristiek-mooi wordenden kop, boog die ongemeene mensch zich, met een paar door mij natuurbjk niet volkomen begrepene opmerkingen omtrent huiselijke of andere aangelegenheden,

voorover naar zijn óók weer zittenden zoon En ten slotte op een

behoorbjk avond-uur, zoowat anderhalf uur voor middernacht, meen ik, op mijn studentevoorkamer in „De Nieuwe Buurt" teruggekeerd, wierp ik mij daar in een luien stoel, stak mijn lange Duitsche pijp aan, die den heelen dag onafscheidelijk van mij was, en niet onprettig mijmerend trachtte ik mijn destijds nog volkomen onzekere letterkundige toekomst naar mij toe te halen, die mij altijd voor oogen bleef staan, zonder dat ik er ook maar één enkel stapje naar henen richten kon. Ik was en bleef in al mijn hteraire bestrevingen volstrekt alleen, want in verschillende toenmabge maand- en weekbladen, werd mij, in het gunstigste geval, na een kort poosje van genadig toegelaten worden, koeltjes door de heeren redakteuren medegedeeld, dat ik niet alleen volslagen talentloos was, maar zelfs geen spoor van letterkundig begrip vertoonde, ja, dat ik niet schrijven kon, want geen benul had van goeden hollandscben stijl. Mijn bekende Voorrede bij Jacques Perk's gedichten b.v. werd door zooals gewoonlijk zich grappig-zelfvoldaan boven alles, zelfs boven ernstige studie en dus alles goed leeren verstaan verheven-wanenden, „onhandig uitgedrukt" en gekunsteld genoemd.

En terwijl ik dit alles in mij zelf een beetje (kalm-wanhopig spottend soms, omdat ik Hollandsch ben) overdacht, ... bepeinsde ik tegeUjkertijd, met vredigen weemoed, het zooveel gunstiger levenslot van mijn wat jongeren vriend, — (hij nog als kind in huis, ik geldeloozen bohémien), dien ik, vlotter dan ik, wist om te gaan met de pen, en die ook beter bespraakt was, zoodat men hem, ook misschien vanwege zijn door de heeren recensenten vrijwel gerespecteerden vader, veel

Sluiten