Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■was de methodiek, die zonder tegenwicht onbetwist heerschte aan onze akademies. Dat bun tegenzin geen eigenwijze gril was, wordt duidelijk als we hooren, hoe de bekwaamsten onder hen, leden van de Leidsche almanak-redactie, van wie sommigen als Van Oordt, Busken Huet en Carel Vosmaer een beroemden naam verwierven, oordeelden over de lessen van den jongen Cobet, een geleerde van Europeeschen naam, die in 1846 professor was geworden. De kritiek schijnt gerechtvaardigd, al werd erkend dat de wet óók schuld had, daar deze in de aesthetische vorming niet voorzag en literatoren met theologen en juristen samendwong in het pro-paedeutisch college, waardoor natuurbjk van een dieper indringen in de letterkundige werken moeilijk sprake kon zijn. Een zelfstandig en bezadigd student als de klassicus E. J. Kiehl, praeses der almanak-redactie in 1850, betoogde in zijn opstel „Dilettantisme"1) dat degelijke taai-wetenschappelijke ontwikkeling onontbeerlijk was daar men anders tot dilettantisme vervallen zou. Hij vraagt wat er van de ontwikkeling terecht komt, van de „vooruitgang der menschheid", als hij, die zich opwindt over de poëzie van Homerus, niet eens verstaat wat deze geschreven heeft.

„Het klinkt hard, maar bet is niet geheel onwaar, dat veelal zij het vurigst verlangen doen hooren naar ,den geest' van eenige zaak, die met het materiëele gedeelte het minst bekend zijn. Ja, de werken der Ouden vormen den smaak, de Historie doet werkelijk het wezen der menschheid kennen, maar niet aan onze dilettanten, niet aan den vlugtigen beoefenaar; voor weinigen, voor enkele gunstebngen alleen hebben de goden den palmtak weggelegd, die een werkzaam leven moge bekronen, maar te edel is om terloops door den voorbijganger te worden opgeraapt".

Het is wel duidelijk dat deze student terecht van een goedkoop aesthetiseeren niets moest hebben, maar ook hij voelt de tekortkomingen en besluit dat een werkebjk vormend onderwijs niet bestond: „daartoe moest het geheel anders zijn ingericht. Er is thans geen collegie waar de vorming van den smaak als hoofdzakebjk of bijkomend doel wordt gesteld, de keus der te behandelen schrijvers wordt niet volgens die behoefte geregeld". Het jaar te voren, in 1849, bracht de Almanak tegelijk met het kritisch verslag van de Korte Geschiedenis, een geestig spottend stuk: „De Philoloog", misschien van de hand van

1) Een antwoord op „Korte Geschiedenis der Leidsche Hoogesehool" (van Dec. 1847 tot Nov. 1848) in den Leidschen Studentenalmanak van 1849. De Redactie bestond toen uit J. W. G. van Ooidt, Praeses, G. N. de Stoppelaar, Abactis, E. J. Kiehl, T. A. Lambrechts en C. Vosmaer.

Sluiten