Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den hoogleeraar voor het Grieksch, die Homerus behandelde. Vol verwachting iets interessants te hooren luisterde ik aandachtig. Maar hij sprak in het Latijn, en dit verstond ik, ook bij het alleraandachtigste luisteren, hoogstens maar voor driekwart. Want ik, die op de 5-jarige H.B.S. was geweest en daar in 1877 voor het eindexamen slaagde, had dus geen gymnasium afgeloopen, en had van '77—'79 door wat lessen en privaatstudie mij in staat moeten stellen om admissie te doen voor de universiteit. En ik was dus niet zoo familair met het verstaan van gesproken Latijn kunnen worden, als een gymnasiast langzamerhand worden kan. En daar de inhoud van Naber's Latijnspreken mij ook maar matig interesseerde — hij had het over niets dan grammatische subtibteiten, kwam ik na een drie maanden niet meer op zijn colleges terug. En de colleges der anderen, die van Karsten en Bellaer Sprayt, bevielen mij even min en die heb ik dus in dien tijd van Sept. '79— Januari '80 slechts zeer sporadisch bezocht. En om tot de eigenlijke zaak te komen, op dat van Pierson ben ik nooit geweest, omdat het zijne, de aesthetica, een bijvak was. Zoo kwam ik sinds begin '80 niet meer op de akademie terug. Ik beschouwde die 200 gulden als weggegooid geld en ging van '80—'83 voor mijzelf werken in allerlei dingen waar ik op dat oogenblik meer pleizier in had. Maar in 1883 kreeg ik het idee: ik moet toch eindelijk eens candidaats doen; ik leende dictaten, werkte een jaar lang hard voor mijzelf, en in den zomer van '84 gaf ik mij op voor het examen. Ik vroeg toen belet bij Naber, om tentamen aan te vragen. Maar hij antwoordde mij, toen ik bij hem kwam: „meneer Kloos, jongelui die bij mij geen college hebben willen loopen, neem ik ook geen tentamen af". En hij voegde erbij: „Mijn opinie is, dat de tegenwoordige jongelui, zooals U, zich te veel van zichzelf verbeelden; ik heb wel eens vernomen, dat U een stukje hebt geschreven over een vriend van U, een zekeren Jacques Perk, en daar is U opgetreden op een wijze, of U alleen alles wist; dus nu moet U verder ook maar bewijzen, dat U heelemaal, buiten eenige hulp van anderen, op Uw eigen beenen kunt staan".

Daar zat ik, ik kon weer weggaan, en ging naar prof. Sprayt, dien ik hoogachtte door mijn lektuur van zijn „Geschiedenis van de leer der aangeboren Begrippen". En die kitste mij af met een soortgelijke onvriendelijke pedanterie als Naber had gedaan. Maar ik gaf natuurlijk den moed niet op, en besloot geen tentamina bij de overige professoren aan te vragen, dus óók niet bij Pierson. Ik deed examen en werd ontzettend genegerd, vooral door Naber. In het begin gaf ik hem goede antwoorden, want ik had een jaar lang hard en degelijk gewerkt op

Sluiten