Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vliegen zonder te sterven. Uit alle plaatsen, alle instellingen, klinkt er mij het woord 2 Koningen IV : 40 in de ooren: „Man Gods, de dood is in den pot". — In hetzelfde jaar schreef Hnet in zijn beschouwing over de Nederlandsche Tijdschriften: „Het is geen geheim dat De Gids op jaren komt en dit maandwerk de lijdensperiode is ingetreden, waaruit, na langen doodsstrijd, de Letteroefeningen eindelijk verlost rijn" x).

Het feit dat de Gids toch nog wel eens een artikel van beteekenis leverde, kon hieraan niets veranderen. We denken aan Allard Pierson, die in zijn bespreking van Swinburne in De Gids van '79, niet kon nalaten, den stand van de poëzie ten onzent na te gaan, en vast te stéllen dat ze, van haar waren aard vervreemd, verbasterd was tot beuzelachtige rijmelarij; keuvelende haard-poëzie, zonder een sprankje artistieke bezieling. Nadrukkelijk verklaarde hij dat Poëzie niet de zaak was van kinderachtige wezens maar van de hoogst ontwikkelden: „Poëzie is de ware taal van een mensch, die den mensch in zich voelt rijpen".

De ondervindingen van de jongeren van omstreeks '80 rijn uit den geschetsten geest te verklaren. Daar zelfs de meesten onder de gezaghebbende oudere bteratoren het zintuig voor de poëzie ten eenenmale misten, verwierpen zij wezenlijk-goed of voortreffelijk werk dat aan hun oordeel onderworpen werd. We weten het uit de geschiedenis van Perk's Iris en Kloos' Rhodopis. Zoo was er voor Verweij's Persephone ook geen plaats in De Nederlandsche Spectator en Nederland.

Het is opmerkelijk dat juist in dezen tijd, toen de officieele kunstwaardeering mét bbndheid geslagen was, rich óveral bij de jongeren de teekenen begonnen te vertoonen dat er iets nieuws en beters op handen was. Het was omstreeks 1880 als een Zuid-Europeesche lente. Verbijsterend snel barstte het overal los in uitbundigen groei en bloei, «n dat niet alleen in het geestelijke centrum Amsterdam. Nauwelijks had Allard Pierson in De Gids zijn vernietigend oordeel uitgesproken

1) Teekenend voor den tijd is het intusschen dat dezelfde Huet heel weinig begrip toonde voor de nieuwe poëzie, dat hij flauwe versjes van Honigh prees, het kasteel Oud-Wassenaar een wonder van bouwkunst achtte en de Haagsche Schilderschool afschuwelijk vond. In een brief aan mevrouw Bosboom Toussaint, IS September 1880, zegt hij dat hij nog nooit zoo iets fraais heeft gezien in het moderne Nederland als het kasteel Oud-Wassenaar, en in een anderen aan dezelfde, van 6 Januari 1879, schrijft hij, dat hij met Welgevallen bespeurde dat de heer Simon v. d. Berg evenmin als haar echtgenoot (Bosboom) mede doet met het nieuwe Haagsche schilderschooltje, dat onder wederzijdsche zelfverheerlijking het penseel hoe langer hoe dieper in den aschpot doopt.

Willem Kloos. 4

Sluiten