Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk V — VERWIJDERING TUSSCHEN WILLEM KLOOS EN ALBERT VERWEU

VOORAF moge gaan de opmerking dat, wanneer men zijn maatstaf ontleent aan de algemeene, gangbare moraal bij bet beoordeelen van iemand die de duidelijke kenmerken draagt van bet genie1), ,het oordeel noodzakelijkerwijs onbillijk zal moeten zijn. Kloos was de gepassioneerde bij uitstek. Ook was er veel somberheid en verbittering in hem, maar geen van de Tachtigers had, zoo als hij, het leven leeren kennen als een weg met de pijnlijkste beproevingen en van aangezicht tot aangezicht gestaan met het verdriet. Hij heeft demonische vervoeringen gekend en uitbarstingen van woede en haat, waaraan bedaarde, brave lieden slechts met een huivering kunnen denken. Hij was, wat Van Eeden nooit is geweest en Verwey evenmin, een on-Hollandsch bohémien en een zwaar lyricus, die zijn vreugden en smarten uitschudde over de menschheid in een orgelspel van tonen, in een onweder van geluid 2). Hij, de echte lyricus, leefde op zijn gevoel, hij handelde naar zijn impulsen, eerlijk en onbevangen, naïef en zonder eigenbelang. Alle berekening was hem vreemd. Hij gehoorzaamde aan ondoorgrondelijke natuurkrachten als een spiritistisch medium, of als de Pythia van Delphi,' Zooals haar was ook hém

1) Hiertoe behooren oorspronkelijkheid en sterke persoonlijkheid. Het genie volgt zijn eigen aanleg en levensdrang, verheft zich boven de enkele verschijnselen tot een kosmische visie; ziet die verschijnselen sub specie aeternitatis en is wars van conventie. Het onderscheidt zich verder door grooten eenvoud, onbevangenheid, naïveteit; zijn voornaamste zedelijke drijfveer is de onbeperkte waarheidsliefde, zijn eerlijkheid. Zijn werkzaamheid berust in eersten aanleg op de inspiratie, die voortkomt uit de onbewustheid. Pathologische toestanden van den geest zijn het genie niet vreemd.

2) Veertien J. Lit. G. II, 47, Over Frederik van Eeden.

Sluiten