Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Apollo de opperste godheid. Toch heeft hij ook Dionysos in de harts tochtelijkste jaren van zijn mannenleven gevolgd en hem zijn dithyrambische verrukkingen toegezongen.

Nimmer, das glaubt mir, erscheinen die Götter, Nimmer allein.

Kaum das ich Bacchus, den lustigen, habe, Kommt auch schon Amor, der liebhche Knabe, Phoebus, der Herrbche stellet sich ein. Sie kommen, sie nahen die Himmbschen alle, Mit Göttern erfüllt sich die irdische Halle.

Zoo zong Schiller. Zwaarder, tragischer, klonk Kloos' Evoë in De Nieuwe Gids van 1889 (Vz. LV):

Ik ga mijn leven in orgieën door Van vol muziek en vreugden onuitspreekbjk, r Daar 'k al smart in losbandigheid verloor, Want dit lijf en mijn trots zijn onverbreekbjk;

Wijl achter me aan een óp-zich-drommend koor, Heel 't scboone lijf bewegend wild en weeklijk, Luid-feestende optocht, danst en ik dans voor — O, mijn losvoetigheid is zeer aansteeklijk.

Hoor, hoor naar mij, gij allen die daar gaat Met koud gelaat en stappen zoo bedachtig:

Brand op in gloed het leven dat u slaat, U-zelf óp-slaand in vlammen hoog en prachtig.

Droom wég in weelde: ijdel is alle daad — Over ons allen koom het Niet-zijn machtig.

Welk een verschil tusschen dezen hartstocht-mensch en Verwey met zijn zachte ontroerbaarheid en kalm begrip. Bij deze ongeveinsde belijdenis van zinnenvreugde worden we herinnerd aan sommige werken van den Engelschen dichter Algernon Swinburne. Ik denk aan diens prachtig en geruchtmakend „Dolores" (Our Lady of Pain), dat Kloos reeds als twintigjarig jongmensen heeft gekend, en bewonderd om de

Sluiten