Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„idee der toomelooze levenskracht, die zich vrijelijk uiten dorst in daad en lied, en waarop wij, negentiende-eeuwers, slechts verlangend kunnen staren, in het smartelijk gevoel onzer nietigheid en geveinsdheid, om dan met den dichter te verluchten:

Ah! forgive us our virtues, forgive us, Out Lady of Pain"

Eén van de Tachtigers was er, een jongere, die de deugd liefhad, die aanstoot nam aan een zoo „schaamteloos" en onomwonden uitgesproken levensdrift. Het was de kalm-evenwichtige Verwey die in het zelfde jaar dat Kloos zijn Evoë zong, in het huwelijk trad met mejuffrouw Kitty van vloten. Verwey had in de reeks sonnetten Van de Liefde die Vriendschap heet het paleis gebouwd der vereering voor zijn vriend, „den Man der Smarten" en den grooten dichter. Hij zag een tijdlang in Kloos een niet te evenaren ideaal en verwarmde zich aan den gloed van diens passie, waarvan een zwakke afschijn op zijn eigen werk weerkaatste. Ook hij, als Van Deyssel, zag in zijn ouderen makker iets koninklijks. Zooals een Ethiopisch vorst een anderen koning huldigt met rijke geschenken, zoo schreef hij in sonnet 28,

Zoo dringt zich heen de drom van mijn gedachten Om U, mijn Vorst en Vriend, geknield te groeten Met pracht van 't eê'lste, in mijn gemoed gevonden:

Voor U zal 'k volle vloot op vloot bevrachten, Met rijken zang en kefde, en voor uw voeten De schatten hoopen, die hier onnut stonden.

In een volgende reeks sonnetten: Van het Leven, klinkt een andere toon. Het is altijd gevaarlijk, uit poëzie geschiedenis te lezen; gedichten met beschuldigingen, en zelf-beschuldigingen vooral, mag men niet dan met de grootste voorzichtigheid als bron gebruiken, maar als vingerwijzingen kunnen ze dienen. De Sturm- und Drang-periode, zoo hij die ooit gehad heeft, is Verwey alras voorbij. De sonnetten „Van het Leven", al van voor 1889, bewegen zich om het thema: „Leer u schikken in het leven, klaag niet. — Wat het leven U schenkt, neem het aan, ook het lijden". De 24-jarige Verwey is hier niet meer de dichter, maar de wijze moralist die het zijn plicht acht zijn vrienden

1) Veertien J. Lit. G. I, blz. 47: Serta Romana.

Sluiten