Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in minder fraaie verzen te kapittelen als zij meer fuiven dan hij goed voor hen acht. Zoo althans verklaar ik mij het ontstaan van sonnet 7:

De toorn krieuwt in mijn keel: ik kan 't niet smooren, 't Verdriet niet kroppe', als 'k zuiplappen en vraten Zie worde' uit kunstenaars, die hun kunst vergaten, Hun lijf stuk-fuiven en hun ziel vergoren.

Ik weet: mijn kunst moet een rein lijf toehooren: Geen mond, die zelf-voldaan gaat dwaasheid praten, Eer 't werk gedaan is, en geen ziel vol gaten, Waar 't leven uitloopt, voor de kunst verloren.

Een kunstnaarslijf is een paleis op aarden: Genoeg dat 't staat in modder van veel menschen! Laat het niet vuilen in üw drek van zonde!

Ook 't schoonst paleis gaat aan dat vuil te gronde;

En wie 't bewoont, de ziek die 'k schoon zou wenschen,

Heeft voor de Kunst, waar zij voor werd, geen waarde.

Verwey mocht uit Noordwijk deze strafpreek uitzenden, wat baatte het? Hier waren twee physiek verschillende menschen en twee tegenstrijdige naturen: de eene een spontaan gemoedsmensch, een van de kunst bezetene, de ander een man van bezonnen overleg met bekeeringsneigingen. Een lavastroom is met een preek niet te keeren: Kloos ging zijn gang en bleef hem het antwoord niet schuldig. Het is al weer een vermoeden, maar als zoodanig beschouw ik het spottend sonnet L, Verzen I, dat in De Nieuwe Gids niet voorkomt:

Gij stapt met toornig opgestreken zeilen, En kuif, parmantig in de hoogte stekend, Uw toorn tot harde stukjes grofheid brekend, Die al uw vrienden om de ooren keilen

Als nonchalante en ongalante bijlen.... O, Schoonheid's opperman, gij beukt uitstekend,.... Maar toch, woest sbmmertje, die 't al uitrekent, Rekendet gij óók uit de óórzaak onzer feilen?

Sluiten