Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de lengte der tijden, hoe langer hoe meer waar ach tiglijk, en du» naar de schoonheid en niet naar de goedheid, dat een woord zonder zin is, de menschen te beoordeelen is geen daad van willekeur of het spel van een artiésten-gril, maar de wil van het leven zelf, de werkelijkheid gepakt in haar diepste essentie, de hoogste wet van 't Zijn".

Die uiteindeüjke Schoonheid zal er heel anders uitzien, vervolgt Kloos, dan „in dat onleesbare boekje van Van der Goes geschreven staat". Met deze woorden troost hij Van Deyssel, zijn „Vriend-voorhet-leven", die zich onnoodig beangstigt; waarna bij zich wendt tot Van Eeden en diens humaniteits-idee. Van Eeden had tégen Van der Goes beweerd, dat deze alleen socialist was met het verstand, maar hij, Van Eeden, ook met het gevoel. Kloos, religieus-filosofisch, stelt hiertegenover zijn eigen beschouwing, die hem „bijzonder aan het harte gaat", n.1. dat de sociale evolutie wel verband houdt met de grootere verstandigheid en gevoebgheid der moderne menschen, maar door geen van beide wordt veroorzaakt, in den waren zin des woords; alleen uit „de geheimzinnige bron van alle leven, de Ikheid (= God), waarvoor alle leven tevens een object is, komt elke beweging der menschheid, elke wending en voortgang op haar geheimzinnig slaapwandelaarspad. Vandaar uitgebroken, uit ze zich natuurbjk in voelen en in denken, tegelijk en gezamenthjk, en zoowel de heer Van der Goes als de heer Van Eeden heeft voor de helft gebjk in dit curieus geding".

Als Kloos vervolgens met zijn exact-onderscheidenden aanleg gaat spreken over Van Eeden's humaniteit, loopt hij warm. Zijn eigen wezen raadplegend komt hij tot de conclusie dat bij onmogebjk de geheele menschheid met al baar individuen kan hefhebben; trouwens de andere menschen kunnen het ook niet. „Ze nemen het woord wel in den mond, en brengen het tepas waar zij kunnen, maar zij doen er niet naar. Maar op die manier wordt het spelen met een groot woord, waarvan iemand die de zaken ernstig neemt, een afschuw moet hebben". En nu gaat Kloos op minder vriendelijke manier spreken over het Christendom, waardoor dat onmogelijkste idee in de wereld is gekomen. Wat Kloos in het Christendom afkeurde was, dat deze leer van den God der Smarten met haar verheerbjking van het bjden niet gebaseerd is op de natuurbjke geaardheid der menschen; dat het dus niet in de toekomst aan een rich steeds booger en schooner ontwikkelende menschheid verheffing en bevrediging kan schenken, maar alleen geschikt is „als vermaning, als geneesmiddel, als het leven in tijden van ontaarding, zich uitstrekt genotriek op den divan van het gemak".

Sluiten