Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op elke daad, gedachte of woord, o het Aller- aller-onkenbaarst Zijn, die 't weeke Bewegen mijner ziel hebt dóórgekeken Hoe het zich-zelf in zich-zelf steeds verzet, —

O God, mijn God, Gij zijt wel gansch-almachtig,

Schoon 'k niet begrijp hoe 't slechte kan op de aard zijn,

Maar Gij zijt God, God-zelf, voor wien ik, krachtig

Mensch, door Uw wil, deemoedig buig in prachtig Vernederen mijns zelfs in diep vervaard zijn. O! 't echte slechte nimmer kan iets waard zijn.

CLXIIIx) (voor Alphons Diepenbrock) God, die mijn Diepste ziel ziet, wees weldadig Voor dit Uw arm kind, dat maar steeds geslagen Wordt door klein' menschjes en hun ijdbjk plagen, O God, mijn God, wees dees mijn ziel genadig'.

Zie, 'k gaf mijn hart den menschen, 'k zei: verzadig U aan mijn rooden bloed-stroom met stil knagen, ♦k Kan alles, alles wat gij doet, verdragen, Aandoen wilt mij, die was mij-zelf gestadig

Kastijdend hard, in innigst-diep vernêeren

Mijns trotschen Zelfs, dat voor geen mensch wil buigen,

Daar Dat Niet Kan, wijl 'k U alleen vereeren

U, God, mijn God, vermag in vroom getuigen.

O, 'k weet zoo wel, zij zijn een Aardsche Luister, Ik slechts een snikkend wicht in 't eenzaam duister.

En dit verzoenende:

CLXVI *).

O het tranen vergieten is geen zonde, Gepleegd aan 's werelds mooi-somber voortglijden Zacht door den eindeloozen gang der tijden, O wie nog tranen, tranen vergieten konde

1) Nieuwe Gids 1894 I, 329.

2) Nieuwe Gids 1894 I, 425.

Sluiten