Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij zou de wreede, wreede wonde op wonde, Die dorsten menschjes in het hart te snijden Hem, die wilde allen in zichzelf verblijden, Heelen door tranen. Tranen Zijn Geen Zonde.

Want wat zijn tranen, tranen als een teerheid,

Hoog-heerlijk in zich zelf gebrokene emotie

Als 't mannenlijf niet langer kan hoog-trotsch zijn?

O Laat ons allen vallen in devotie,

Als Iets, wat grandioosUjk week ter-neêr-leit;

Een mensch kan nooit, maar wou toch wel een Rots zijn.

8 Januari 1894.

CLXXVII (N. Gids 1894 I, 463)

Door één bef woordje zou rich laten winnen, Door één gebaar of vriendlijke' oog-opslag, Of door een luiden, open-heldren lach Na veel gevlei's en zachtjes-aan zoet minnen

Ik, die droef-wachtend op des Levens tinnen Melodiëus rit klagend, naar den dag Opstijgend glorieus, van wat eens mag Bevredigen mijn ziel en zachte zinnen.

Ach, nimmer heeft Een Wezen bef-gehad

Dit arme Zelf, dat maar gestaeg moest dwalen

En blij was, als 't een goed'gen hand-druk had,

Maar toch blijft Liefde's Aangezicht mij stralen In 't donkere toekomst'ge. Ai laat het falen Mij, die in Mij-zelf heb den Grootsten Schat.

Over een paar scheldverzen heeft Kloos berouw gehad; het rijn die tegen Herman Gorter (Vz. No. 111 en 175): „Mijn vriend Witsen had mij gemeld, dat een zijner zwagers, nu ik als de eenige van de vroegere redactie was overgebleven, den Nieuwen Gids weer herstellen wou in zijn ouden staat, maar zonder mij. Want in mijn plaats zou dan Gorter komen, dien men daartoe had aangezocht, en die toen zijn be-

Sluiten