Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En ook zoo meerblauw diep; zij waren onder 't straalHeldre gespiegel van zijn glorieus frontaal Doorschouwende de hal van zijne hemelzaal.

En in den vasten vorm van dat gelaat ik zag

Zijn mond, gesloten zegel, liggen. En ontzag

Ik voorgevoelde' als' t wicht van eenen zwaren dag.

Gansch priesterlijk in wit, omsomberd 't hoofd door slippen Zwoel haar, Hij heerschend zat met klankelooze lippen.

Dan dringen drommen van troebele machten op hem in, bij spreekt en het is of uit Hem alleen een nieuwe wereld geboren werd. Maar er klinkt een nieuwe, grommende stem en een walgelijk Beest komt tegen de treden van zijn troon opgekropen, het kust in aanbidding den zoom van bet kleed des Almachtigen en deze, met gansch ontstelde trekken, valt in een plof neer, geheel ontluisterd en van luizen bekrieuwd.

Het was de dichterlijke parafraze van de gedachte dat Kloos zich door den omgang met Tideman had geencanailleerd. Tideman bet het drukken met een naschrift, gedateerd 28 April, waar we o.a. lezen: „Het Amsterdamsche Weekblad, welbekend, gaf in November een satirische plaat uit met dezelfde strekking. Van het Weekblad hoop ik het niet, van den Heer van Looy wel, dat de tijd hem tot andere inzichten zal brengen".

Hoe Van Looy later over Tideman heeft gedacht, weten we niet. Wel dat Van Looy's vriendschap met Kloos heeft stand gehouden. Er bestaat nog een ander gedicht dat op den betreurenswaardigen crisistijd betrekking heeft; vergeleken met dat van Van Looy, zwak en zoetelijk, maar even welgemeend naar het schijnt. Het is van Frederik van Eeden, uit diens laatsten tijd. Deze, die nog in 1919 zijn best heeft gedaan om een schaduw te werpen over het feest van den 60-jarigen Kloos, door te tornen aan zijn beteekenis als dichter en kriticus gedurende de tweede helft van zijn leven, heeft onder rijn laatste verzen „Zes verminkte Sonnetten" opgenomen; het laatste, waarschijnlijk van 1923, getiteld Aan een Verhoren Vriend, is een poging om goed te maken wat in de jaren 1892, '93 door hem bedorven was.

Laat mij nog eenmaal U met zachtheid noemen Mijn vrind van jaren her, eens zoo nabij,

Sluiten