Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij dezen gloed! Wat bij in Kloos befhad, bet was diens zuiverheid als mensch en grootheid als kunstenaar1). Zijn behoefte aan iets dat ontwijfelbaar groot en bewonderenswaardig was, vond in de aanwezigheid van Kloos hare vervulling. En zoo is het te begrijpen dat de hevighartstochtelijke, die zijn Liefde voor het woord heeft neergeschreven in een proza, trillend van mystieke verruldcking *), ook over zijn dierbaren Dichter gesproken heeft op een wijze die de maat van gewone bewondering ver te buiten gaat 8). Kloos was voor hem, en hij is het nog, een wezen van hoogere orde, en beelden als „Keizer", „Koning , zijn hem ontoereikend om te zeggen wat hij voelt. Hij verklaarde dat de woorden van muziek in Kloos' verzen het schoonste waren dat zijn jeugd had gehoord *). Hij beschrijft zijn gelaat dat voor hem de uitdrukking was van dat wat men zich voorstelt als het ware koninklijke of keizerlijke: „daarin was dat wat geheel overeenkwam met de gedachte die men had van zoo een keizergod.

„Dit was een wezen voor onze geestdrift. Dit was een wezen om „onbewegelijk verheven gezeteld te zijn, terwijl de ziedende geestdrift„zee van een volk zijne voeten omspoelde. — En toch was dit niet „anders dan de jengdgestalte van eenen schoonen dichter" *).

De bewondering beperkte zich niet tot ons land; het licht van deze rijzende ster straalde uit tot over de grenzen naar de zuidelijke Nederlanden, waar de latere oprichters van het tijdschrift Van Nu en Straks: Emmanuel de Bom, August Vermeijlen en anderen, rijn verzen overschreven en ze elkander leenden om er rich aan te bedwelmen. Het was een mooie, een eenige tijd voor alles wat voelde voor Kunst en Letteren. Er was werkzaam talent, er was vuur van geestdrift, er was, zooals Van Deijssel bet uitdrukte, het dwepen en zijne zahgheid; en de centrale kracht van dit nieuwe leven, de voornaamste bron van de bezieling, was Willem Kloos.

Toen de Fransche dichter Paul Verlaine in 1892 ons land bezocht, trok de opvallende verschijning van Kloos te midden van andere kunstenaars onmiddellijk zijn aandacht. In rijn boekje „Quinze jours en Hollande" vertelt hij hoe men hem op de hoogte bracht — Zou die „men" Karei Thym zijn geweest? —: „C'est Willem Kloos, le divin taciturne, un extra nerveux et placide. Grand-maitre du mouve-

1) Zie N. Gids 1929 1, 645 Toespraak tot Willem Kloos.

2) Over Literatuur, Verzamelde Opstellen I.

3) Zie het extatisch lyrisch proza van Studie over Willem Kloos, Fragment in De Nieuwe Gids, Mei 1919, blz. 685—688; ook in den Vierden Bundel, gedateerd 1896.

4) Nieuwe Gids Mei 1929 I, blz. 527 vlgg.: Eerste ontmoeting met Willem Kloos.

Sluiten