Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tigheid, die u uit de lichte oogen tegemoet schijnen. Het haar en de oogen zijn het, die onmiddellijk treffen. Het blonde, even rossig getinte, dichte baar, nog jeugdig laag op het voorhoofd ingeplant, is niet sierlijk gegolfd, maar staat óp in welige, weerbarstige bossen, heel karakteristiek. De hchtblauwe, bchte oogen hebben een vreemden glans; ze kijken je aan, recht en vast, of ze in je hart willen lezen, je willen peilen en schatten. Of ze zien naar binnen en droomen weg in verre oneindigheid. De oogen hebben iets weemoedigs, wat nog versterkt wordt door de neergaande curve van de boven-oogleden, maar ze kunnen ook tintelen met een onweerstaanbare innemendheid, of bliksemen als toorn opvlamt. Het magerachtig gelaat met de wat ingevallen wangen is gegroefd, als verweerd, en heeft de rood-okertint van blonde menschen die veel in de open lucht verkeeren. De blonde snor hangt op Engelsche wijze neer over de mondhoeken. Boeiend is het profiel: de fijn gevormde neus en het voorhoofd bggen nagenoeg in éene dóórloopende bjn, een klassiek Grieksche trek bij een uiterlijk dat overigens typisch Germaansch is. Terwijl hij staande, zich hoog en strak opgericht houdt, laat hij zich, in zijn fauteuil gezeten, graag wegzakken, met de kin op de borst. Hij is stil, spaarzaam met zijn woorden en zijn fijne, slanke handen maken weinig gebaar; maar plotseling, met een ruk, komt hij in beweging wanneer hij snel een boek voor den dag baalt, zich ergert over onrecht en nonsens, of u een sigaar aanbiedt. Over het geheel krijgt men den indruk van een man die veel heeft ondervonden en veel heeft geleden.

Dr. Arnold Aletrino, medicus en prozaïst, heeft in het Gedenkboek van De Nieuwe Gids van 1910 zijn ontmoeting met Willem Kloos beschreven bij gelegenheid van de vergadering waarop bet tijdschrift tot stand kwam (1 October 1885). Het was op de kamer van Frank van der Goes op de Prinsengracht. Voor Aletrino, die tot zijn verrassing ook gevraagd was, werd die avond onvergetelijk om het groote gevoel van vriendschap en dankbaarheid, dat in die uren voor Kloos is ontwaakt. Ik haal uit zijn opstel iets aan, omdat hij heel juist de stem en spreekwijze van den dichter beschrijft.... „Ik kwam al spoedig". (Kloos had hem apart genomen) „onder de charme van zijn persoonlijkheid, waardoor ik het werkeUjke van het oogenblik vergat en zweeg meestal, omdat ik meer lette op zijn gezicht en op zijn manier van zeggen dan op wat hij sprak. Nu, na vijf-en-twintig jaar, hoor ik zijn stemgeluid nog als in die oogenblikken en zie ik hem nog voor me als op dien avond. — Hij sprak niet mooi, hij sprak niet met kunstige woorden, hij sprak niet met „phrases ronflantes". Zijn zinnen

Sluiten