Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zat zenuwachtig te fluisteren en te wachten tot het gezang zou beginnen. Maar de dichters die allebei veel te naïef en te onbevangen waren om er iets van te merken, zaten rustig te genieten van hun maal, totdat eindebjk, eindebjk Verlaine zich naar Kloos boog en....

Hou je mond, hou nou toch éven je bek" .... - met zijn zachte rtem zeide — het was doodstü geworden — „Monsieur Klooze, aimez-

vous la salade?" ....

Timmerman, die bekendheid verwierf door zijn mooie vertalingen uit het Grieksch (de Dias, de Odyssee en de Hymnen van Homerus) heeft ten aanzien van zijn vriend Kloos nog de verdienste dat hij een eind heeft gemaakt aan een betweterige kritiek welke Kloos' bevoegdheid in de uitgave van Perk's gedichten in twijfel had getrokken ).

Willem Witsen. „n, , ■ ,

Met Willem Witsen (1860-1923) was Kloos in 1883 of'84 bevriend geraakt *); in 1888 woonden ze samen eenige maanden in Londen, waar Witsen toen werkte. Heftig-mooie en sterke indrukken zijn Kloos daar altijd van bij gebleven. Aan Witsen heeft hij zijn sonnettenreeks Het Boek van Kind en God opgedragen en aan hem wijdde hij m Mei, Juk en Augustus 1923 een serie van 29 herinneringsgedichten. In een brief aan Jeanne Reyneke van Stuwe schreef Kloos over wat hem onderscheidde van andere mannen en over zijn groote sympathie voor Witsen: ik heb altijd ook gemerkt, dat ik zelf, met een paar nuancen verschil van de meeste andere mannen, die ik zag. Ik zeg met dat ik meer ben of beter of zóó iets, ik voel alleen, dat ik anders ben. t Ligt, geloof ik, in den aard van mijn gevoehgheid. Een van de weinige manuen, die ik ooit ontmoette, die wat dieper-sympatbisch met mij is aangelegd dan de anderen, is Wim Witsen. Hij is, misschien nog meer dan ik, een gesloten natuur, die verschrikkelijk weinig spreekt, ja, zich bijna nooit uit. Maar drie maanden heb ik in Londen bij hem gelogeerd, en soms heb ik toen wel eens iets bij hem waargenomen, m ziin uitingen en daden, waar andere mannen als grof-gefabriceerde marionetten bij afstaken. Het kwam altijd plotseling, en was, oppervlakkig-bekeken, heel eenvoudig en gewoon, maar toch werkelijk zoo bizonder, als het nooit in een ander man zou opgekomen zijn. Wij hebben er nooit samen over gesproken, maar 't is, of hij 't ook eenigszins begrijpt, want hij is dikwijls, zonder zich in de verste verte aan

1) Zie N. Gids 1916: Het boekske van Dr. Greebe.

2) Witsen en ik »jn nn al bijna zestien jaar vrienden (N. Gids l»yy;.

Sluiten