Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgemerkt, in vele opzichten tegenstellingen, maar er was óók groote overeenkomst tusschen den breed en fijn voelenden Kloos, die in zijn beoordeelingen alleen te rade ging met zijn zuiver besef van bet echte en mooie, en den vrijen stelsel-loozen aestheet, die, aller-subtielst denkend en voelend, het ééne allesomvattende beginsel van de schoonheid, de echtheid en de gratie huldigde; den zeer persoonhjke, voor wien de Kunst een devotie, een passie is geweest en die daardoor zoo ontzagbjk veel heeft gedaan voor de zuivering van onzen literairen dampkring 1).

Dan was erjacobus van Looy (1855—1930), dien Kloos in 1885 leerde kennen door eenige bladzijden vers welke hij door bemiddeling van een wederzijdschen vriend, een schilder, van hem te lezen had gekregen. Kloos nam de buur van rijn kamer in de Govert Fbnckstraat 81B over, toen hij naar het buitenland vertrok. Van Looy was de schilder-schrijver, de edele en eenvoudige, de werkman in de kunst, een kunstenaar tot in de toppen van zijn vingers, die, toen hij voor zijn „prix de Rome" een reis maakte, door Spanje, Itabë en Marocco, Kloos zijn indrukken schreef, zóó origineel, dat de Nieuwe-Gids-redacteur hem aanspoorde ermee door te gaan, wat het begin is geworden van Van Looy's schitterende schrijvers-loopbaan en zijn medewerking aan De Nieuwe Gids. Men wordt getroffen door de aanhankehjkheid, den eenvoud en de oprechtheid in die brieven.

Van Looy zelf heeft jaren later van hun kennismaking een herinnering genoteerd *): „Een mijner vrienden van de schilderklasse kende persoonlijk den schrijver van de „Voorrede" bij Perk's gedichten, wiens opvallende verschijning ik meer dan eens op straat gezien had; hij vertelde hem van mij en als gevolg trokken wij samen naar diens woning. Het was een kamer met twee kanten raam, boven in een enkel staand huis, 't hoekhuis eener straat die er nog niet was en oprijzend zoo uit een gele zandwoestenij, de terreinen der nieuwe buurten die achter de Stadhouderskade zijn, waar nog de Akademie is van Beeldende Kunsten. Daar, drie hoog, naar ik meen, zag ik Kloos voor de eerste maal dichtbij en zijn dichteroogen schijnen als in glazen schrijn.... Later bezocht hij mij ook eens op mijn schilderloge en maakte daarna

1) Zie over Van Deyssel o.a. De Hollandsche Revue, VIII, 687. J. de Meester in „Woord en Beeld" 1897, bhs. 361, J. M. Acket in de Gids, 1896, IV, 37. Just Havelaar, De Gids, Oct. 1912, blz. 106 en Dr. P. H. Bitter Jr., „Mannen en vrouwen van beteekenis", Dl. XLII, Lodewijk van Deyssel.

2) Jac. van Looy, Bq de zestigste verjaring van Willem Kloos. N. Gids, Mei 1919.

Sluiten