Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen, maar zat op zijn dood-eenvoudig gemeubileerde huurkamer te arbeiden, d.i. te schilderen, te schrijven en óók veel te lezen, onder welk bezig-zijn hij slecbts hoogst zelden, of men kan wel zeggen haast nooit den een of anderen goeden kennis of vriend — als hoedanig zal Van Looy zelf die menschen in zijn Binnenste beschouwd hebben? — ontvangen kon of wou. Maar tegen het vallen van den avond of des zomers, in den laten namiddag, wanneer zijn vele werk voor dien dag weer klaar kon heeten, bep hij resoluut de straat op, naar het centrum van de stad, waar hij dan soms, in de Poort van Cleef of elders, andere jongeren ontmoette. Men ging dan daar eenvoudig en niet langdurig eten, waarna ieder weer voor zich zelf deed wat hij doen moest of wou, of soms allen den avond gezellig samen doorbrachten, hetzij op de kamer van een onzer, als het dezen inviel ons daartoe uit te noodigen, hetzij op een plaats van voor ieder toegankehjke gezelhgheid in het altijd drukke Amsterdam". In April 1930 verscheen van Kloos nog een Stille Nagedachte aan Jac. van Looy.

Kloos en bij waren beide gewéldig-hartstochtelijke kunstenaars, beide waren ze echt en eenvoudig, trouw en oprecht, en dit is de oorzaak geweest van hun bnjvende vriendschap. — Tot zijn dood is Van Looy mederedacteur geweest van De Nieuwe Gids. Dit is tot nu toe ook Mr. Frangois Erens. Ik heb hem, evenmin als Van Looy, ooit bij Kloos ontmoet, maar men kent hem als een uitnemenden erudiet, den rustig-fijn beschouwenden essayist, vooral vertrouwd met de Fransche letterkunde. Om een kant van zijn intiemer wezen en ook dat van zijn vrienden Kloos en Boeken te laten zien, moge hier iets volgen uit „Herinnering" 1).

Erens vertelt van de plaatsen waar de jongeren elkander ontmoetten: Caves de France, het gezelschap Flanor, en het café „WiUemsen" op den Heihgenweg. „Het is in café Wülemsen geweest dat menig plan is ontstaan, dat door wederzijdsche wisselwerking de bchten voor de toen jonge intellecten werden ontstoken. Later werd de kennismaking op de kamers, die wij bewoonden, voortgezet. Daar zat men dan bij elkander tot laat in den nacht, tot in den vroegen morgen. Daar leerde ik de persoonlijkheid van Kloos vooral hoogachten. Zoo kwam ik eens op een avond omstreeks 11 uur bij hem en trof er Boeken aan. De twee vrienden zaten blijkbaar droefgeestig. Toen vernam ik, dat juist Kloos' hospita, zijne oude kamerverhuurster, was overleden. En omdat niemand lust had over iets anders te praten, stelde Kloos voor het boek van den Prediker in de Statenvertaling voor te lezen. Boeken las

1) Frans Erens, Herinnering, N. Gids, Mei 1919.

Sluiten