Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor en las prachtig onder de kleine petroleumlamp en wij zaten in de schemerende hoeken te luisteren. Dat was een zeer merkwaardige avond of liever: nacht; een nacht, waarin wij schouwden in het mysterie der eeuwigheid, waarin al het aardsche scheen weg te vallen, heel klein werd.

In die volkomen stilte kwam, ontdaan van alle levensrumoer, de kern van het menschlijk lot naakt te voorschijn. Zwijgend namen wij afscheid. De dagelijksche woorden hadden hunne beteekenis verloren".

Ook tot Dr. Alphons Diepenbrock, in de wandebng Fons geheeten, den diepzinnigen essayist en oorspronkelijken toonkunstenaar die nieuwe banen opende, stond Kloos sinds zijn studententijd in de beste verhouding. Diepenbrock was bet, die, reeds candidaat in de letteren, zijn vriend op de hoogte bracht van wat hij studeeren moest voor zijn examen. Aan hem, evenals aan Van Looy, Witsen, Van Deyssel, Vander Valk, Frans Erens heeft Kloos verzen opgedragen. Niet voor niets hangen verschillende portretten van Diepenbrock, o.a. een crayonteekening door Toorop, op een mooie plaats in Kloos' vertrekken. In de muziekkunde en compositie niet minder uitstekend dan Kloos in poëzie en bteraire kritiek was hij, de Kathobek, toch geestelijk anders georiënteerd, zonder dat dit verschil van richting hun onderbnge waardeering ook maar eenigszins heeft aangetast of hem verhinderde, medewerker te blijven van De Nieuwe Gids. In een brief aan Kloos, van 1910, ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het tijdschrift schreef de overtuigde Kathobek dat hij te veel bedenkingen had tegen de door De Nieuwe Gids vertegenwoordigde specifiek-letterkundige cultuur in 't algemeen, om het geloof te koesteren aan een absoluten „Fortschritt". Maar desniettemin drukt bij Kloos in gedachten de hand in onveranderlijke vriendschap en dankbare herinnering aan het vele schoone dat hij door hem heeft mogen leeren kennen. Hij beroemt rich erop, al was de letterkunde zijn roeping niet, tot Kloos' leerlingen en tot de oudste medewerkers van het Tijdschrift behoord te hebben en spreekt hem aan als Oude en Vereerde Vriend.

Met welk een piëteit heeft Kloos van zijn kant over Diepenbrock gesproken x), den voorname, den geniale, die door zijn geloof ver van hem af heette te staan, maar in werkelijkheid dicht bij hem stond, omdat hij echt en edel was, en een kunstenaar bij de gratie Gods. Hun

1) Zie Letk. Inz. en Verg. XVI. Het laatst verschenen boek van L. van Deyssel, Werk der laatste jaren, 1923, en Letk. Ins. en Verg. XIV, Twee Vereeuwigden, I Over Alphons Diepenbrock.

Sluiten