Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk IX — KLOOS' KARAKTER EN ZIJN VERHOUDING TOT ZIJN LANDGENOOTEN

KLOOS' karakter is hierboven reeds een paar malen terloops ter sprake gekomen, waar wij handelden over den jongeman die Rhodopis schreef en over de tweespalt in de redactie van De Nieuwe Gids. Ik wensch het hier nog wat nader te bezien, ook voor een billijke beoordeebng van sommige verzen. Kloos, al had bij goede vrienden, is nooit iemand geweest die zich in zijn Hollandsche omgeving op sijn gemak heeft gevoeld, zooals dit wel het geval is met den middelslag-man en met die uitstekenden, die algemeen vereerd worden, sich omringd weten van een schare gelijkgezinden, of de natuurlijke gave bezitten om zich sympathiek te plooien naar de vormen van onze conventioneele samenleving. Zijn in-zich-zelf gekeerde aanleg leende sich daar minder toe en leidde tot een teruggetrokkenheid, die zeker nog versterkt is door zijn vreugdeloos kinderleven. Natuur en omstandigheden hebben het zoo gewild. — De dichter zelf heeft zijn isolement diep beseft, meer dan eens sich erover uitgelaten, ook in zijn verzen, en het wel trachten te verklaren uit zijn afstamming, waarbij zich Hollandsch met een weinig Fransch en een goed deel Duitsch bloed had vermengd (z.b.). Of Kloos hier juist gezien heeft? Zeker is het niet, omdat óók wanneer hij Duitscher ware geweest in een Duitsche omgeving, hij wellicht tot vereenzaming zou gekomen zijn, daar hij nu eenmaal Kloos was, met zijn persoonlijke eigenschappen, zijn van het gewone model afwijkend heftig-hartstochtelijk, ideabstisch-lyrisch en tegelijk egocentrisch karakter.

Intusschen is het wèl opmerkelijk — en dit zou een steun kunnen zijn voor zijn verklaring — dat de aard van de lyrische verzen waarin hij zich het zuiverst heeft uitgesproken, allerminst typisch-Hollandsch

Sluiten