Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de meeste lezers, en dit is natuurlijk. Maar er zijn er ook, die hiermede niet tevreden zijn. Hun belangstelling voor de gedichten gaat over op de persoon van den maker en laat hun niet toe, het op het eerste gezicht minder aantrekkebjke of duistere links te laten bggen. Zij willen den geheelen mensch leeren kennen in zijn verschillende gevoelsstaten; zij willen precies weten wat in hem omging, en hoe het ééne op het andere is gevolgd. Hoe zou een stemming of gedachte, door den dichter zóó hevig beleefd dat hij er poëzie van maken moest, hen onverschilbg kunnen laten! Laat dit de verontschuldiging zijn voor een onderzoek dat welhcht den een of anderen louter-aesthetischen, eklektischen lezer tegen de borst zal stuiten als een soort van vivisectie, maar inderdaad niets anders is dan een zichinleven in de gedichten en een dóórdringen tot hun psychischen oorsprong, waarmede tevens de aesthetische waardeering gebaat moet zijn1). De psychisch-historische en aesthetische beschouwing behooren hand aan hand te gaan. Zoo zijn ook in het voorafgaande gedeelte beide metboden verbonden. We hebben daar getracht, Kloos' binnenste, zooals dit rich moest uitspreken in versckUlende momenten van zijn leven, tusschen 1879 en 1894, te begrijpen door de peibng van enkele gedichten van die jaren: de Duitsche sonnetten, Sappho, Rhodopis, Okeanos en de zgn. satyrische sonnetten. Bekijken we nu de andere gedichten uit den bundel Verzen, dan is een eerste vraag deze: Loopt de volgorde der sonnetten parallel met de gemoedsgeschiedenis van den dichter? Over 't algemeen mag men aannemen van wel. Hij zelf schreef me: „De historische bjn van mijn verzen is niet zoo moeilijk na te gaan, daar de verzen, die ik sinds de oprichting van De N.G. daarin pubbceerde, gewoonbjk ook in dien tijd rijn geprocreëerd a).

We moeten hier wel den nadruk leggen op „gewoonbjk". Want er zijn uitzonderingen. Behalve de Duitsche bestaan er nog 9 Nederlandsche sonnetten, die gedicht en gepubhceerd zijn vóór De N. Gids was opgericht. Het zijn: Charaxes aan Rhodopis, met den ondertitel: „Medusa", Licht, Lethe, Nacht, alle in Astrea van 1881; Liefde en Lilith triumphatrix in Astrea van 1882; Madonna en Moisa in den Nederl. Spectator van 1881 en In Memoriam Mr. A. D. de Vries in den Nederl. Spectator van 1884. Al deze jonge verzen heeft Kloos met uitzondering van één Duitsch sonnet3) opgenomen in De N. Gids

1) Zie boven de beschouwing van de schimp-verzen, die met het woord „onaesthetisch" niet kannen worden afgemaakt, wanneer men weet waaruit ze zijn ontstaan.

2) Brief van 30 Mei 1932. 3) Zie bovetf: An Platen.

Sluiten