Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 1893, en wel tegelijk met venen die in dat jaar waren ontstaan. Daar Verzen de gedichten over 't algemeen geeft in de volgorde waarin ze voorkomen in de jaargangen van De N.G., treft men dus de juvenilia aan midden tusschen het allerlaatste werk, wat voor oningewijden, die de historische ontwikkeling meenen te kunnen nagaan uit de plaatsing der verzen, niet anders dan, men zou zeggen, misleidend kan zijn. Toch, werkelijk misleidend is de plaatsing slechts tot op zekere hoogte. Overzien we n.1. de sonnetten die Kloos in Astrea en den Spectator heeft uitgegeven vóór de oprichting van De Nieuwe Gids, tusschen 1881 en '84, dan treedt ons daaruit tegemoet een ideaalgestemde, wanhopige jongeman die, korten tijd bedwelmd door een droom van liefde-geluk, het onvervulbare inziende van zijn dierbaarste wenschen, soms in vertwijfebng den dood verlangt, een andermaal, in minder ontmoedigde, levenskrachtiger oogenbbkken, zich troosten kan door zijn besef, een dichter te zijn. Reeds hier is Kloos de „groote minnaar zonder ruste", de „diep van een glorie van een droom vervulde", die zich uit het tijdelijk-aardsche tot de Eeuwigheid, uit de smart tot de Schoonheid weet te verheffen en hieraan een fierheid ontleent, welke hem in staat stelt, zich in zijn ellende te handhaven.

Dit psychisch geval, dat bij lyrische dichters niets ongewoons, maar in ons land iets bizonders was, heeft zich voor Kloos bestendigd, en is de gestadig vloeiende bron gebleven van eene langen tijd in hoofdzaak gelijkgestemde maar desniettemin steeds wisselende poëzie. En daarom is het bezwaar, dat de sonnetten in den bundel Verzen niet historisch gerangschikt werden, niet van overwegende beteekenis. Den hier geschetsten geest van met idealisme doordrenkten hartstocht zien we b.v. heel duidelijk in de twee sonnetten Madonna (Verzen, No. LXXVIII) en Moisa (Verzen, No. LXXIX). Van Madonna schrijven we de kwatrijnen over:

De sterfbng zoekt — in 't eenzaam-zoekend zwerven Naar 't bcht, dat hel uit minbjke oogen schiet, Den zilvren toon, die van twee bppen vbet, — Een schijn der eeuwge schoonheid te verwerven.

Wee wie die snel-gewiekte schaduw derven,

Geen menschlijk woord, dat troost in 't hart hun giet,

Heil wie haar wint, die weenen langer niet,

Maar wenschen één genade en dan te sterven.

Sluiten