Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is rhetorisch gezegd en onjuist ook. Alleen wie de poëzie van Kloos slechts oppervlakkig bekeken beeft, kan zoo iets beweren. Dit staat wel vast: deze kriticus heeft Kloos niet doorgrond en is waarschijnbjk door een paar zinnebjk-hartstochtebjke verzen van de wijs gebracht. Er is slechts één slag van menschen die bij Kloos van zinnelijkheid mogen spreken en takijk zijn zij niet; nJ. die ascetische vromen, die absolute geloovigen, welken door God zijn aangeraakt in hun binnenste ziel; zij in wie Gods vuur zóó onbluschbaar brandt, dat in dien gloed alle zelfzucht en alle stoffelijkheid is verteerd, weder-geboren als zij zijn door de genade van God den Vader en den zoendood van Christus. Maar zóó beschouwd is alle poëzie van de Tachtigers zinnelijk; zelfs een groot gedeelte van die van den allervroomsten Vondel.

II

DE KORTE INHOUD DER VERZEN AFZONDERLIJK

Verzen van vóór de oprichting van De Nieuwe Gids, herdrukt in den jaargang 189 3. 1881

Sonnet

701) Charaxes aan Rhodopis:

„De jongebng staart met beden in zijn bbkken" met den onder-titel Medusa', het eerst in het tijdschrift Astrea van 1881. In de Nieuwe Gids van 1893 komt het voor met den titel „Medusa". In „Verzen" ontbreekt, zooals overal, de titel. De jongebng, vol van zijn verlangens, staart met beden in zijn bbkken op naar de Godheid, maar traan en leed „kon nimmer steen verwrikken". Zij, de Godheid, is koel en onaandoenlijk.

71. Licht (Astrea 1881):

„Er stroomt door mijn gemoed in stormend klateren"

Zijn gemoed is een zee in wilden storm, waarin hij verzinken gaat, maar de Liefde blijft en in het staren op het rustig stralen van het klaar gelaat der gebefde, hoopt hij, vereend met haar, ter eeuwigheid te varen.

1) De nummering is volgens Verten (Versluys), maar gemakshalve in Arabische in plaats van Romeinsche cijfers. Van elk gedicht wordt de beginregel vermeld. De pers parodieerde het quasi-geestig als „Charades aan Rhodopis".

Sluiten