Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stil zijn en heel ver weggaan of sterven. Maar wie kan ervoor instaan, dat ook de dooden niet weenen in hun graf „om 't zoete leven met hun lief daarboven". — Bij geen Nederlandsch dichter dan Bredero treffen we een zelfde levende hartstochtelijkheid aan.

14. „Want Ik, die Ik ben, haat u om uw slechtheid",

. Kil en snijdend roept hij het uit, dat hij haar haat om haar slecht karakter. Zij is als het Beest uit Gods boek (de Openbaring) en toch is zij hem dierbaar, maar alleen, zegt hij, zonder een zweem van teederheid, in gewilden trots, omdat zij hem de toetssteen is van eigen echtheid. Nu hebben alle goeden een wonde en lijden mee met hem, nadat zijn bcht op haar gestalte viel.

Dr. Donkersloot meent dat dit vers geschaad wordt door een uit zedelijk oogpunt onschoon gevoel *), omdat de haat hier te zeer doortrokken is van zelfbewondering.

Deze beschouwing wil mij te nuchter voorkomen, te weinig uitgaand van psychisch begrip. Al die zelfverheffing van den dichter is immers niets dan een houding, een tooneelgebaar, waarmee een gewonde ziel zich te redden tracht. Multatub heeft ergens gezegd dat de hevigste smart zich uit in sarkasme, maar er zijn ook andere vermommingen voor de ziel. Hooghartige onverschilligheid is er eene van: „Gij deert mij niet, want wat gij deedt, is zonde, Gij weet mij niet, want hooger is mijn Zier'.

15. „Gij zijt niet slecht geweest: gij waart slechts zwak",

De waarheid van de hierboven vermelde opvatting blijkt afdoende uit sonnet XV. Hier is een zachte, meer vergevende toon: Je was niet slecht, maar enkel een zwak kind, dat al haar eigen speelgoed brak omdat zij er genoeg van bad. Zijn smart is zoo groot dat bij eraan sterven zal maar in dit sterven zal bij sterk zijn en prachtig. Nu is 't haar beurt om te toonen dat zij even sterk kan léven als kij sterven, in de eenzame toekomst die haar wacht.

16. „Wanneer ik dood ben, bef, en iemand zegt",

Dit doet denken aan Bonsards prachtig sonnet „Pour Hélène": „Quand vous serez bien vieille, au soir a la chandelle Zij zal, wanneer hij dood is en iemand zegt dat hij niets was, oprijzen en zeggen: „Hij was groot!". Dan zal ook zij in 't zoete leven pijn lijden, haast even veel als hij, en daarom wil hij haar, zijn Hef, dit doodsblad geven.

1) De episode van '80.

Sluiten