Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deunen of het bange dreigen van onbestemde geluiden in den ijlenden koortstoestand: „Paarden-getrappel en wagen-gedraaf, Paarden en wagenen draven gestaag,

Paarden en wagenen draven gestaag met getrappel op straat.... Waar ik roerloos gestrekt bg,

Zonder gerucht, In den nacht, in den nacht".

35. Van de Zee, Aan Frederik van Eeden:

„De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining",

Hij vergebjkt de zee met zijn eigen ziel: zij is een levend schoon, maar kent zich zelve niet en zingt een bed, eeuwig-bbj en eeuwigklagend. Zijn ziel is grooter dan de zee, maar mist hare onbewustheid. Wanneer zij die bezat, dan zou hij eerst gehéél en gróót gelukkig zijn, zonder pijn, zonder vreugd, zonder verlangens, gerust in zich zelve.

In verband hiermede is te wijzen op een plaats in Kloos' Liefdesbrieven waar bij het over de zee beeft:

„De zee is voor mij het zichtbare mysterie, dat juist, doordat het gezien wordt, mysterie is. Ik ben er stil-dol op, en als ik in den Haag woon, kan je er zeker van zijn, ben ik dikwijls aan 't strand. De Zee maakt mij, als ik er ben, weemoedig en grootsch en stil-diep-innig; ik vind er iets van mijn eigen ziel in, en als ik zoo aan 't strand loop, verbeeld ik mij dikwijls te zijn een aan land gespoelde, en daar in de boeien van overhemd en handschoenen en manchetten vast-gelegde zeemeerman. De zee is net als bet gevoel der befde, dat begrijpen we ook niet, daar kunnen we ook \ niet over redeneeren, en voor den banale is het heel banaal, maar als men de befde echt voelt, dan wordt zij net, als men gevoelig naar de zee ziet, onbegrijpebjk grandioos en wonderbaar" (Liefdesbrieven 207).

„O, ik houd van de zee met een diepe, geheimzinnige adoratie, zooals de geloovigen, denk ik, moeten voelen voor bun God. In '88 heb ik den zomer doorgebracht aan het strand te Katwijk. Daarna ben ik in Londen gaan wonen, vijf maanden lang, en toen was de indruk, dien de zee een kalf jaar vroeger op mij gemaakt kad, nog zóó sterk, dat dat sonnet kwam, dat je wel zult kennen: „De zee, de zee klotst voort, enz.". (Liefdesbr. 314.)

36. Zelfverandering; aan Trifouülard (= Frans Erens):

Sluiten