Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik ben te veel een mensck geweest",

„Een mensck die gilde, en klaagde, en schreide".

Nu is hij een dehkaat artiest, die zich het liefst verliest in zijn kokette melanckolieën en zoet gespeel met zachte, klare koele rijmen. Er is een Verlaine-toon in deze drie strofen.

37. Zelfbesef (2 strofen):

Geen enkel, die mijn Zelf ooit had, —"

Nooit vond hij een mensch die schreien kon of lachen. Hij is zoo heel anders dan zijn bedaarde omgeving; „zij waren allen mak en mat".

38. Snikken (2 strofen):

De smart breekt weer los tot zelfbeklag met de stootende accenten van hevig snikken:

„Arme, arme gebrokene, als Ik mij mag noémen, Daar is, is geen ménsch-smart, die dit hart niet kent, — Maar hoe dieper de smart, hoe meer roem voor het bjdehde hart: De Mensch moet doodgaan, eer de Kunstnaar leejY'.

39. Homo sum, aan L. van Deyssel:

„Ik was de groote Minnaar, zonder ruste",

Hij was de groote minnaar, zonder ruste, die nooit zijn droefheid heeft kunnen sussen, droefheid om de Liefde, die niemand hem kon geven, droefheid ook om zich zelf en ten slotte om de pijn die hij een andere heeft aangedaan.

Nu denkt hij niet meer aan befde, want zijn hart is in hem gestorven zonder mokken.

40. „Ik ben de Düivel-god dier gruwbre oorkonde",

Hoe ver hij afstaat van de begeerde Onbewustheid der zee, blijkt hier. De dichterziel als vergiftigd door het verdriet, verkeert hier in een gevaarlijke stemming. Hij voelt zich als den gevallen engel, den Duivel-god, gevallen uit bet bchte Rijk van het goede in de duistere diepten van de hel. Nu mag hij, de Verdoemde, vrij haten en kwaad doen. De geest van Byron's Manfred is hier geen literaire pose maar bittere vrucht van eigen ervaringen.

41. Toen ik rozen kreeg: „Rozen, ik vind u droef"

42. Toen ik de rozen opnam: „O, Rozen, droef en schoon"

Sluiten