Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en rijmen, welke zich samenschikken tot steeds wisselende geheelen, hebben iets aan zich (elk woord en rhythme afzonderlijk en alle te zamen), dat proza nooit geven kan. Zij werken als een bezwering. Hiermede is reeds gezegd dat men den totaal-indruk nimmer kan wekken door dit geheel in zijn deelen te ontleden. Het magische, juist dat wat aan het gedicht zijn waarde verleent, kan met verklarende woorden niet worden gegrepen. Zelfs al kon men alle elementen, de kleinste niet uitgezonderd, dus ook de vocalen en consonanten naar waarheid in hun physieke en psychische functie verklaren, dan nog zou men niets hebben weergegeven van den indruk dien men onderging bij het lezen of hooren van het geheel. Maar dit alles neemt niet weg dat men, bij aandachtige beluistering van verzen en daarop volgende overdenking, soms op het spoor kan komen van den oorsprong van de gewaarwordingen welke ons bij de lectuur bijzonder getroffen hebben en factoren der poëtische schoonheid zijn.

Wanneer ik sprak van beluistering, heb ik minder aan de plastische eigenschappen gedacht, die natuurlijk ook hun groote beteekenis hebben, dan aan de rhythmiek van het vers. Vooral bij Kloos is deze van uitnemend belang omdat het vooral het woordgeluid en de maatgang zijn, die ons in rijn verzen onmiddellijk aandoen en wij zijn rhythmus ervaren als het zuivere, sprekende symbool zijner psychische en artistiek-geestebjke gesteldheid. Met deze laatste bedoel ik de in het onderbewustzijn aanwezige en min of meer richting gevende norm, die Kloos ontleende aan de traditie, te weten het schema van het vijfvoetige jambenvers. Toen hij na bet schrijven van zijn eerste Duitsche gedichten mogelijke nieuwe opwellingen den sonnet-vorm wilde geven, moest bij eerst nagaan hoe een sonnet in elkaar zat. Voortaan kad hij nu de metrische formule tot zijn beschikking. Maar levend, oorspronkelijk dichter die hij reeds was, zong zijn Binnenste naar eigen wijs en werd zijn rhythme vanzelf een moduleering op het oude overgeleverde metrum, een moduleering die rijn psychische gesteldheid, dat is: rijn wisselende stemmingen en gedachten tot in hun fijnste schakeeringen te verklanken wist.

We zouden een stuk poëzie van Kloos wel kunnen vergelijken met een mooi gordijn, waarvan ket streng meetkundig patroon soms onzichtbaar wordt door de vrije, vloeiende bjnen en figuren die er overheen zijn geweven. Het grondpatroon is het ouderwetsche stijve metrum; de vrije figuren rijn de natuurlijk loopende rhythmen die niet gehoorzamen aan een voorgeschreven maat, maar aan gevoel en gedachte.

Willem Kloos. 10

Sluiten