Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Toen, tusschen maan en sterren rees Zij zacht —

4. Toen trad Gods engel tot haar, kalm, en sprak, Haar lokken, toen zij viek de goudenen,

5. Uw overdierbre leen den arm te slaan,

6. Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht

7. Al naar mijn kunstnaars-wil en welbehagen. Rijk-handig, al wat, in den loop des Lots Een laatsten groet aan U, die met uw vasten Stap naast mijn al te wankle schreden tradt.

Door het enjambement van vasten op stap en den stevigen, rustdgen spondaeus aan 't begin van den regel wordt de logische gedachte van substantief en adjectief bizonder gelukkig klankplastisch ondersteund, evenals de gedachte van te wankle rehëf krijgt door ket met betrekking tot ket sterk betoonde „al" weifelend-zwak klinkende woordgeluid. 7. Dit dood-arm Wezen, heeft te voelen wagen

13. Eén hoop slechts, één, één enkel zoet vermeenen, Eén weten, maar ik kan het niet gelooven.... Ach dit: dat rusten onder groene steenen

14. Gij zijt het Beest dier oude, schrikb're Oorkonde Uit Gods Boek-zelf, dat van den Hemel viel

22. Wat is dat aües stil, doodstil ik vind er

23. Hoe zalig is dat nu, wanneer ik tuur Mij-zelf aan. mijne borst, en lach noch snik

48. Bloed lag op wang en haar, en bloed ook zag

O, Doemwaard Beeld van menschen, die niet deugen! O, Mensch die hegt met oog, met mond, met hand, Stokstijf in 't weefwerk van uw slechtheid staande, -— On-mensch, die loerend loenscbt naar iedren kant, Kil-hegend door uw rijkste leven gaande, —

68. Droom-sckoone dood en onsterfebjk verlangen,

Schoonheid, gedrukt aan 't luid bewogen harte, —

Genoeg om te doen zien dat de spondee geen zeldzame uilzondering is. Terwijl de trochee snelheid en beweeglijkheid met een zekere intensiteit verbindt, wekt de spondee den indruk van kalme zwaarte, van rustige besbstheid of van een trage gedempte melodie. En dit zware of gedempte of kalme drukt zijn stempel op ket gekeele vers, even zeer als de veerkracktige beweging van de trochee het doet.

Sluiten