Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Er is in deze verzen iets als een jubeling, die des te sterker spreekt na de omfloerste voorstelling die voorafgaat; hoog en scheen klinken breed uit; de heffing van scheen verrast omdat ze op de plaats van de dabng staat. Dit heele vers is rhythmisch gespannen: van heeft een lichte heffing, ook de uitgang van het tegenwoordig deelwoord schemerénde, wat de schilderende kracht van dit woord zeer versterkt. Statig klinkt in overeenstemming met den inhoud, het laatste vers, met den genitief der klare starren voorop, als het eerste dat oprees in des dichters voorstelling.

Dr. Donkersloot schrijft in zijn boek over de Tachtigers *): „Eenigszins ouderwetsch statig, althans onmodern zijn ook de door Kloos met voorkeur gebruikte genitieven als: „des bleeken uchtends", „der klare starren wacht". — Het mag zijn dat Kloos wel eens wat ver gegaan is met bet gebruik van die vormen, maar hier is de genitief en zijn plaatsing uitstekend van werking en dit beteekent meer dan dat hij niet modern is. — Het zwijgen is ook een van de ,,bsten", waarmee de kunstenaar veel doen kan, wanneer hij het even aanhoudt om het dan terwüle van een effect, plots te verbreken.

Zoo komt de pauze tusschen de twee strofen Kloos te hulp, om met grooten nadruk den vólgenden regel te doen uitkomen:

Toen, tusschen maan en sterren, rees Zij zacht —

De rust achter Toen en de dan volgende adverbiale bepaling doet de spanning nog even duren, tot aan het slot, met hoog accent het onderwerp komt, een stijging-in-den-klank welke harmonieert met de gedachte. —

5.

Over dit vermaarde vers heb ik al meer dan eens gesproken, ten einde zekere dwaze meening te weerleggen. Het is een van de indrukwekkendste en monumentaalste gedichten die Kloos geschreven beeft. In zijn kwatrijnen grootsch van beelding, breed en sterk, keert ket in zijn terzinen tot een zackte gebrokenheid. Hier is Kloos de zware lyricus waarvan hij sprak in zijn kroniek over Van Eeden. De dichter wijkt hier, waar een machtige emotie om uitdrukking vraagt, wel ver af van het alterneerend maatschema van den jambischen vijf-voeter.

1) De episode van de vernieuwing onzer poëzie, blz. 109.

Sluiten