Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het lijkt niet ongepast om tot besluit Kloos zelf bet woord te geven en te hooren wat hij denkt van den dichtvorm die hem meer dan eenige andere heeft aangetrokken.

„Het sonnet — naar den wille des meesters beurtebngs zoet-rokig minnedicht, of stroomende hymne uit de diepten der ziel, als een attische zuilenrij open en helder, of met bet halfdicht en de mysteriën van een gotisch boog-gewelf, vat bet iedere flikkering en tint van bet menschehjk gemoed in een vorm die den geheelen schat van middelen en krachten, door het rijm geschapen, met al de subtiele kunst van de lyriek der Ouden verbindt, en er schuilt niet minder noodzakelijkheid en wet in de schijnbare willekeur, waarmede hier de keer van de basi6 afhangt, dan zich in de chorische responsie van een Pindaros en een Sophokles vertoont. Iedere aandoening is als een golf der ziel. Zij wordt geboren en rijst tot baar toppunt en lost zich weer op in zachtere breking of forscheren slag. Deze mijmert en droomt, verbest zich in zich-zelve, en vergaat al ruiscbend in gbmlach of tranen; gene komt en stuwt ziek voort en stormt al kooger, maar valt weer terug in weemoed of hopen, of dwingt zich en staat in willend besluit. Niet anders de rhythmische golf van het sonnet, die met de quatrijnen nadert en groeit in stijgende rolling, om zich weer uit te storten met de terzinen, en te vervloeien in schuimende branding, of vonklende druppen, of rustige eb. Er zou een belangwekkende studie te schrijven zijn over de verschülende rijm-schikkingen en technische fijnbeden van vers-val en overgang, waardoor deze „lamzahgste aller vormen" iedere rimpeling van het gevoel, iedere wending van het sentiment, iederen adem-tocht der scheppende stonde vasthoudt en weêrgeeft, zooals de plooien en vlakken van ket vocktige kleed de ronding en de Ujnen van het levende bchaam daaronder verraden"

1) Veertien Jaar Lit. Gesch., Jacques Perk, blz. 21, 22.

Sluiten