Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de literaturen van verschillende volken. Hij was gepakt door prachtige dingen in de poëzie van Goethe, Von Platen, Heine, Shelley, Keats, Wordsworth, Swinburne, Browning, Bredero, Vondel, Hooft en voorts in het werk van de heste Grieksche en Romeinsche poëten. Ook in de theoretische geschriften over poëzie was hij niet geheel een vreemdeling. Hij kende Wordsworth's Voorredenen en Shelley's A Defence of Poetry. Hij had dus wel wat gewerkt, maar begreep dat er nog heel wat te doen overbleef. Intusschen, wat hij aan scholing miste, vergoedde bij ruimschoots door zijn onbedriegbjk critisch instinct. Kloos was juist de man aan wien zijn tijd de grootste behoefte had. Gaf Karei Alberdingk Tkym (van Deyssel) zijn zorgen aan ket proza, aan de poëzie schonk Kloos zijn bizondere aandacht. Hij scheen als geroepen om de kritiek van Potgieter en Busken Huet voort te zetten en aan te vullen, door te doen wat zij te zeer hadden verzuimd: de dichtwerken te beoordeelen op de eenige manier waarop ze beoordeeld moeten worden, nJ. naar den wonderbaren toon van het poëtische, bet eenige waardoor hun gedachteninhoud een hoogere waarde erlangt.

Het schijnt ons een weinig bemoedigend teeken, dat op Kloos groote kritische verdiensten nog is afgedongen, nadat hij onze letterkunde zoo zeer aan zich bad verpbcht; het pleit niet voor het peil van onze Nederlandsche beoordeelaars. Hebben wij te véél uitstekende letterkundigen? Waarom zijn beteekenis niet gul erkend? Waarom eigen lofprijzing vertroebeld door er aanmerkingen aan toe te voegen welke geen steek kouden of niet ter zake dienende zijn? Verderop koop ik dit punt nog nader uit te werken waar ik den Kloos van na 1894 beschrijf. Een literair, zeer ontwikkeld kooggeleerde — ik bepaal me tot de ébte van den Nederlandschen geest — keeft in een overigens fijne rede over stijl den jongen Kloos er een schamper verwijt van gemaakt dat hij zijn „groote verdienste" (van het aan de orde stellen der eenheid van inhoud en vorm) zoo verkleind keeft door dit alles „niet enkel uitdrukkelijk en nadrukkebjk, maar met zoo groote drukte en gegons te verkondigen"; al verder door dit eenvoudige tock dikwijls zoo oneenvoudig te zeggen, en bovenal zich aan te stellen, alsof dit alles nu voor het eerst ontdekt ware *). Alsof Kloos' onvergankelijke verdienste niet juist hierin bestond, dat hij de eerste was in ons land, die als bestrijder van wanbegrip en voorvechter van een nieuwe

1) Prof. Is. van Dijk in zijn voordracht over Stijl in 1908 voor de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde. De spreker citeert uit Vinet en Newman en herinnert o.a. aan Shelley's A Defence of Poetry; duidelijk büjkt dat Kloos* standpunt ten opzichte van het Christendom hem dwars zat.

Sluiten