Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorgangers, die van zedelijke en godsdienstige strekking tot aan hun keel toe vol hadden gezeten, en toen nóg zaten, het Beginsel opstelde van De Kunst om de Kunst".

In 1881, met den gloed van zijn jonge geestdrift, drukte Kloos zich anders, meer pathetisch uit, in die vermaarde slotperiode van het eerste hoofdstuk zijner Inleiding op Perk's Mathilde. „De Poëzie is geen zachtoogige Maagd, die, ons de hand reikend op de levens-baan, met een glimlach leert bloemen tot een tuiltje te binden, en zonder kleer-scheuren over heggen heen te stappen, ja zelfs zich bukt en ons wijst, hoe de scherpste stekels het best kunnen dienen, om het schoeisel te hechten, dat de lange weg had los-gewoeld, doch eene vrouw, fier en geweldig, wier zengende adem niet van ons laat", enz.

De poëzie ontsproot volgens hem niet uit een kalme, welwillende gezindheid jegens den medemensch, haar doel was niet, zoo meende hij, te vermanen of uit het leed lessen van levenswijsheid te trekken; zij was een machtige ontroering die den dichter geheel overmeestert, hem wegrukt van het alledaagsche met zijn zorgen en behoeften; zij was hem „een gloed en een verlangen, een gezicht en een verheffing, een wil en een daad, die alleen het leven levens-waard maakt". Dus evenals Shelley en Plato heeft Kloos, die een lyrisch dichter was, op het manisch karakter bizonderen nadruk gelegd. Dit besbst partij kiezen voor het zuiver-poëtische beeft, mèt de minder gelukkig geformuleerde leus van „de Kunst om de Kunst", het gevolg gehad, dat men hem wel als voorstander van een leeg aestheticisme heeft beschouwd. Nu is niets minder waar. Er is een hemelsbreed verschil tusschen de Franscbe dichters van het ,J'Art pour 1'art" en Kloos. Later heeft hij dit duidelijk gemaakt met de volgende woorden:

„De 1'art pour 1'art-artiesten .... waren zeer verdienstelijke, maar ijskoude kunstvaardigen, wier eenige streven daarin bestaan heeft, om het uiterlijke haarfijn-precies aesthetisch weer te geven, zonder eenige emotie of menschelijkheid. Terwijl ons bedoelen juist was, en het is nog dat der besten onder ons, die getrouw zijn gebleven aan de beginselen van '80, om precies uit te drukken in de rhythmische en beeldende muziek der woorden, niet de koele, oppervlakkige uiterlijkheid der dingen, maar de waarachtige innerlijkheid van ons menschebjk gevoel. Dit echter strijdt geheel met de theorie der ware 1'art pour 1'art-menschen. De Fransche Parnassiens waren de echté 1'art pour l'art-menschen, Théophile Gautier, De Banville etc, maar hun kunst en die der Tachtigers staan op hemelsbreedte van elkaar, daar de eersten sleckts op den vorm letten, terwijl wij daarentegen uitgaan

Sluiten