Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beredeneerds", zoo heeft hij het later geformuleerd. Yan deze fundamenteele waarheid was Kloos al in 1880 diep overtuigd. Hij heeft ze telkens opnieuw uitgesproken o.a. in zijn opstel over Perk, waar we ook nog deze opmerking aantreffen:

„Zoo het waar is, dat men onder poëzie moet verstaan, dien volleren,, dieperen gemoeds-toestand, welks aanleiding in alles gevonden kan worden, en die zijn uitweg zoekt in lijnen, kleuren en tonen, dan doet men wellicht het best, zich. aan de definitie te houden, die de fijne Leigh Hunt eens gaf: „Poetry is imaginative passion" 1).

Al is hier sprake van passie, gevoel, ontroering, men meene daarom niet, dat poëzie niets anders is dan het rauwelings neerschrijven van stemmingen, onmiddellijk nadat zij zijn ontstaan. Met Kloos' woorden „dien volleren, dieperen gemoedstoestand" is dit eigenlijk reeds weersproken. Dichten is voor hem geen snelle en onbekookte ontboezeming van gevoelens; het is een langzaam samengroeien van psychische en zinnelijke elementen tot een harmonisch geheel, dat eerst, wanneer het rijp en voldragen is, zich vanzelf naar buiten dringt. We merken het uit de wijze waarop hij later dien volleren, dieperen gemoedstoestand heeft verklaard:

„Verzen zijn levende dingen, langzaam, als in organischen groei genaderd tot het toppunt der opperste volmaking in de mooie onbewustheid van des dichters ziel. En dan, als het vers volgroeid is gansch, als het tot een in-zich-zelf volmaakt geheel van zoo machtig-mogelijke schoonheid is geworden, dat kracht van langdurig, wezenlijk bestaan beeft, dan pas springt het op-eens naar voren, naar buiten in het 'woord" ■*).

Een ander citaat: „Zeer terecht wijst hij, A. Roland Holst, er hier op, dat de poëzie niet bestaat in het woekeren met eigen verdrietjes en bbjdschappen. Dat zou ook trouwens onmogelijk zijn, want, als men op het oogenbbk wezenlijk weent of lacht, is geen stervebng in staat om verzen te maken. Neen, de echte dichtkunst, de ware Poëzie behoort tot een andere sfeer, want eerst heeft het menschelijke zich te versubbmeeren tot een hoogere orde van dingen, dus te rijzen tot een sfeer, een onbewuste, waar niet langer gelachen wordt, noch geweend, zonder dat men daarom toch abstrakt-reflekteerend wordt, De ware Dichter, als hij schept, is weg met zijn geest van de wereld: hij leeft,

1) Willem Kloos, Veertien Jaar Lit. 6. (Jacques Perk), blz. 3. Men vindt de definitie in het essay: An answer to the question, what is Poetry?

2) Inleiding der 7e uitgave van Perk's Gedichten.

Sluiten