Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als het ware, boven zich-zelf" x). Beide citaten vullen elkander aan en geven hetzelfde te kennen als de volgende passus uit een der Prefaces van Wordsworth:

„I have said that poetry is the spontaneous overflow of powerful feebngs; it takes its origin from emotion recollected in tranquillity: the emotion is contemplated, tüL by a species of reaction, the tranquillity disappears, and an emotion, kindred to tkat which was before the subject of contemplation, is gradually produced, and does itself actually exist in the mind. In this mood successful composition generally begins and in a mood similar to this it is carried on .

, Dit moge genoeg zijn om te bewijzen, dat Kloos nooit geloofd beeft aan- de waarde van gedichten die niets anders waren dan uitingen van embryonale gevoelens.

Hoe kondigt zij ziek aan die ontroering, koe werkt, koe schept zij? Kloos zegt het in een artikel over Vosmaer:2)

„De Dickter koort, diep in ziek zeiven, duidelijk en tock onhoorbaar, 't onstoffelijk geluid van zijn stemmingen-muziek, de melodie die de opperste uiting is van zijn psyekiscken toestand van 't oogenbbk, volgend met angstvaUige zorg iedere wending van den dans der dwarrelende tonen, iedere rijzing en dabng in het wisselingvolle spel van het orgel zijner ziel. En als dan het werkebjke bed, met zijn woorden naast elkaar, voor kern staat als een levend gekeel, als een zingend stuk taal, waarin beelden en gedachten en vreugden en smarten, vielen en zich vervluchtigden en werden tot het uitdrukkingsvolle geluid dat hemzelf is, dan heeft hij iets gemaakt, dat ieder die oor heeft om te luisteren en ziel om te gevoelen, meê kan hooren en meê kan voelen, en meeleven ket groote leven, dat de dichter in zich heeft.

Ziedaar de betrekking van den kunstenaar tot zijn werk, van dat werk tot ket publiek".

Hoe kristalliseert zich dit inwendige zingend gevoek tot poëzie? Van welke kracht bedient het zich? Kloos antwoordt: Van de Verbeelding. Zij voert de rhythmen aan die passen bij de stemmingen, de beelden welke kun belichaming zijn. Wordsworth heeft een tijd gehad dat hü eenvoudige, naakte poëzie wilde sckrijven met zoo weinig mogebjk beeldspraak. „Men had de verbeelding gestereotypeerd en daardoor verwrongen; zoo eischte de natuurbjke loop der dingen, dat men begon met aUe verbeelding te veroordeelen". Kloos ziet hierin een

1) N. Gids, 1927, blz. 341.

2) Veertien Jaar Lit. G. II, 61.

Sluiten