Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefelijke spele-vaart langs de oppervlakte van de kunst als van ket leven glijdt" 1).

Eenheid van inhoud en vorm. De stelling is wel aangevochten en toch is ze de eenvoud en de waarheid zelve; ze vermeldt niets meer dan ket onomstootehjke feit dat idee en stoffelijke verschijning van de idee, ziel en lichaam, gedackte en woord in de werkelijkkeid ongescheiden en alleen door het abstracte denken van elkander los te maken zijn. Een molen, een kalkoven, een graansilo, een bollenschuur en een kerk, al die gebouwen hebben hun eigen vorm en die'vorm past bij hun idee, is er zóózeer één mee, dat we ze niet kunnen veranderen zonder er wanprodukten van te maken en ze in den grond te bederven. Zoo heeft ook de droefheid haar eigen gelaatsuitdrukking, haar eigen geluid, evenals de vreugde; de heldere gedachte spreekt ziek uit in een helderen, evenwichtigen, doorzichtigen vorm, de ontroering in rhythmische bewogenheid. Alleen bij den huichelaar is die eenheid ver te zoeken; bij hem gebruikt afkeer ket masker van belangstellende vriendelijkheid en gaat de zelfzucht rond met het mom van oprechte vroomheid. Waarachtige poëzie nu kan niet begen; de ééne stemming 2) kan zij met^óp~driè^erechinende manieren uitdrukken. Zijn er drie verschillende vormerrVbör één en hetzelfde onderwerp, zooals meer dan eens gebeurt, dan is wel het onderwerp hetzelfde, maar de inhoud niet. De waarheid van deze eenheid wordt niet verkort door de omstandigheid dat soms in omgekeerde richting een vorm-element primair is en b.v. een enkel woord in den dichter een nieuwe gedachte kan oproepen en dus scheppend werkt.

Als Vondel schrijft:

Mijn Bebal ging hene op. lucht en vleugels drijven Om uit te zien, waar of Apolhon mag blijven,

bgt het voor de band, dat hij niet eerst den eersten versregel voluit heeft geschreven, maar uitgegaan is van den zin:

„Mijn Bebal ging hene om uit te zien waar of ApoUion mag blijven" waarna rich aan „bbjven" het rijmwoord „drijven" schakelde, dat op zijn beurt het aanzijn gaf aan de vondst: „op lucht en vleugels drijven".

1) Veertien Jaar Lit. G. I, bl. 5.

2) Waar poëzie een spel is van het vernuft kan een algemeen denkbeeld natuurlijk op allerlei manieren worden uitgedrukt. De Rederijkers en onze Renaissancedichters waren hier sterk in. Ik herinner aan het Schaeckbert van Matthys de Casteleyn.

Sluiten