Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar deze waarschijnlijkheid verandert aan de zaak niet het minste. Zooals Vondel de regels heeft geschreven, is er een eenheid, zooals er een eenheid is tusschen vrucht en schil. Deze eenheid (in een stuk kunst wel te verstaan) brengt mede dat een bepaalde idee, een bepaalde stemming slechts op één manier onder woorden kan worden gebracht, wat Kloos de sententie ingaf: „In een goed vers staat elk woord onverbiddebjk op zijn plaats en kan alleen tot schade van den indruk door een ander worden vervangen" *).

We komen terug op het plastische. „Poëzie moet vóór alles plastiesch zijn", schreef Kloos; voor het oor niet minder dan voor het oog", en elders 2): „Twee dingen zijn het waardoor goede verzen zich van slechte onderscheiden, le. De juistheid der klank-expressie; 2e. de noodzakelijkheid en zuiverheid der beeldspraak.

De gehoorsplastiek of klankexpressie is reeds opzettelijk ter sprake gebracht bij de beschouwing van Kloos' verzen. We kunnen daar nu wel over zwijgen en willen alleen hemzelf even hooren: „De opeenvolging der klanken in hunne eigenaardige, individueele combinatie vormt, te zamen met de plaatsing der accenten, den rhythmus van het vers. Daar iedere aandoening, iedere kleinste beweging van het gevoel, bij fijn georganiseerde naturen, hare eigene rimpebng beeft, zal dus ook iedere goede versregel zijn eigenen, slechts voor hem passenden rhythmus doen hooren. Wie het zuiverst zijn gevoel, door den alleen bij dat gevoel behoorenden rhythmus weet weer te geven, is de beste dichter; wie het vatbaarst is voor de allersubtielste klankverschillen in een vers en zich die vatbaarheid bewust wordt, is de beste kriticus: want ket eene nock ket andere is mogelijk, zonder dat men tegelijk zeer fijn en zeer sterk gevoelt. Wanneer de klankexpressie van een vers zoo volkomen mogelijk is, noemt men dat vers intens, omdat het in den geoefenden lezer plotsebng, schoon niet altijd bij de eerste inzage, een even krachtigen indruk te voorschijn roept, als de dichter had toen hij het schreef. Onze zeventiende-eeuwsche literatuur is vol van „intensieve verzen" ".

Het ontbreken van die eigenschap is het wat hij in Pol de Mont's gedichten laakte.

De beeldspraak: Wordsworth, zooals wij zagen, wierp, tenminste in theorie, de beeldspraak overboord omdat men ze misbruikt had als rhetorische fraaiigheid of bever leelijkheid. Kloos trachtte ze tot haar eigenlijke bestemming terug te voeren. Hij begreep met Wordsworth

1) Veertien J. Lit. G. 1.158.

2) Veertien Jaar Lit. G. I, blz. 158: Pol de Mont, Fladderende Vlinders.

Sluiten