Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat Beeldspraak telkens opnieuw geboren wordt. Tocb erkende bij dat bet overgeleverde niet gebeel te vermijden is, maar een wezenlijke dichter, meende bij, bad zijn eigen vizie, zijn eigen beelden en naar den graad van zijn oorspronkebjkbeid was zijn waarde te bepalen. Hoe zwakker en middelmatiger dichter, des te meer beelden ontleent bij aan voorgangers 1). Kloos' standpunt is dat van den individualist en we kunnen gerust zeggen: bet is bet standpunt van elk echt dichter; ook zonder dat hij denkt aan de theorie zal de echte dichter in zijn beeldspraak van zelf oorspronkebjk zijn. Dit inzicht bracht mee, dat Kloos van den aanvang af met felheid en spot de zoogenaamde dickterbjke taal bestreed.

Hij deed het reeds in zijn Inleiding voor Perk, waar hij de kwasidichters van zün tijd met een enkele zinsnede teekent: „Passie is kun onbekend en verbeelding wordt bun overvloedig toegereikt door het dagebjksck gebruik, of door herinnering aan oudere hteratuur". Maar het duidelijkst sprak hij zich uit in zijn Kroniek over de Canzonen van Mr. Joon Bohl2). Hij sluit zich hier aan bij de Voorredenen van Wordsworth:

„Veel in die voorredenen is verouderd of wordt thans anders voorgesteld, maar zijn opmerkingen over de beeldspraak hebben nog altijd hunne waarde voor onze poëzie, ongelukkig niet verloren.

De hoofdstrekking der opmerkingen is: dat beeldspraak als iets oogenbhkkehjks en accidenteels, niet als iets stereotieps en essentieels moet beschouwd worden. In de sterke emotie zijner stemming ziet de dichter gelijkenissen, personificaties, etc, dieTjij die ééne stemming, die bijzondere gevoelsschakeering, passen, wijl zij haar bebchamen en vertegenwoordigen, en die hüjn de taal door beeldspraak en figuurlijke uitdrukkingen weergeèJTén verduurzaamt. Dit deden de eerste dichters en zoo ontstond er langzamerhand een rijkdom van overdracktebjke spreekwijzen, als bbjvende voorstellingen der individueele aandoeningen van enkele fantasievolle naturen. Maar een later geslacht van zangers, minder oorspronkebjk en met minder diepe emoties, begon zijne eigene aandoeningen aan de zegswijzen der ouderen te verbinden, daar zij zelve niet sterk genoeg gevoelden, om een taal voor zich te scheppen, zooals gene het hadden gedaan, en niet fijn genoeg, om te bespeuren, dat de mdividueele uitdrukkingen van anderen

1) Bij primitieve volken is dit anders. De dichters b.v. van de onde IJslander» en Noren waren gebonden aan bepaalde, geijkte beelden, de zoogenaamde „kenningar".

2) Veertien Jaar Lit. G. I, 133.

Sluiten